Home > Concertdatabank

Deborah Cachet, Bart Naessens & Edouard Catalan (streaming)

Extatisch geluk, diepe wanhoop

Het bespelen van de emoties van de luisteraar was voor de barokke componist van essentieel belang. De inhoud van een tekst raakte in de renaissance vaak ondergesneeuwd door complex contrapunt. Humanisten uit de tweede helft van de 16de eeuw ervoeren dat als problematisch. Ze wilden nieuwe wegen inslaan om de emotionele kracht van een tekst beter in de verf te zetten. Dat leidde tot het ontstaan van nieuwe compositietechnieken en genres die in de barok tot hun volle ontwikkeling zouden komen. Zo spraken theoretici en componisten van een seconda pratica of stile moderno – een nieuwe, tweede ‘muziekpraktijk’ waarin tekstexpressie centraal stond en de regels van de prima pratica of stile antico minder strikt werden gevolgd. Zo konden dissonanten de emoties van pijn en liefdesverdriet veel beter symboliseren. Er werd ook minder contrapuntisch voor meerdere stemmen gecomponeerd; er werd geopteerd voor de techniek van de begeleide monodie. Slechts één zanger zong nu de tekst, en werd door een voortdurend doorlopende baspartij begeleid – de basso continuo. Deze technieken werden niet alleen in madrigalen toegepast, maar zouden ook leiden tot de ontwikkeling van volledig nieuwe genres: de opera, de cantate en het oratorium.

Een van de spilfiguren in die evolutie was Claudio Monteverdi (1567-1643). Tijdens zijn periode als kapelmeester in Mantua had hij met de opera L’Orfeo aangetoond hoe de nieuwe muziek de menselijke ziel kon beroeren. Ook in zijn Venetiaanse periode componeerde hij opera’s – hij was toen wel kapelmeester van de beroemde San Marcobasiliek, maar schreef ook opera’s voor theaters. Hij bleef ook madrigaalbundels uitgeven, zoals zijn achtste boek in 1638, de beroemde Madrigali guerrieri, et amorosi. Terwijl hij in de eerste madrigaalboeken nog de regels van de prima pratica volgde, evolueerde hij in de latere boeken naar een vrijere, moderne stijl. Quel sguardo sdegnosetto is een solomadrigaal dat verscheen in de tweede bundel Scherzi musicali (1632). Het begrip ‘scherzo’ verwees in Monteverdi’s tijd naar de strofische opbouw van de tekst – pas later zou ‘scherzo’ verwijzen naar muziek met een luchtig of komisch karakter. Quel sguardo heeft drie strofen die door de sopraan worden gezongen. Haar partij is uitermate virtuoos en kent veel variaties in de melodievoering. Melismatische passages contrasteren bijvoorbeeld met abrupte, grote sprongen, of een reciterende declamatie wordt afgewisseld met een meer zangerige lijn. Elke strofe wordt daarbij begeleid door een vrijwel identieke baslijn en het geheel heeft een bijna extatisch en dansant karakter.

Liefdesperikelen
In contrast met Monteverdi’s opgewekte solomadrigaal staat Francesco Cavalli’s recitatief Volgi, deh volgi il piede uit zijn opera Gli amori d’Apollo e di Dafne. Legde Monteverdi de fundamenten voor de ontwikkeling van de opera in Venetië, dan kon Cavalli (1602-1676) daar de vruchten van plukken. Monteverdi was lang Cavalli’s inspirerende mentor. Cavalli werd in 1616 als knaap aangenomen aan de muziekkapel van San Marco, die destijds onder leiding stond van Monteverdi. Hij zou er voor de rest van zijn leven aan verbonden blijven; niet alleen als zanger, maar ook als organist. In 1668 kwam de bekroning van zijn lange inzet en werd hij als kapelmeester benoemd, een van de meest prestigieuze titels in de westerse muziekwereld. Hij componeerde prachtige religieuze werken, maar zijn reputatie dankt hij vandaag vooral aan de dertig opera’s die hij componeerde voor de publieke theaters in Venetië. Gli amore d’Apollo e di Dafne is zijn tweede opera en ging in première tijdens het carnavalsseizoen van 1640 in het Teatro San Cassiano. Het libretto, geschreven door Giovanni Francesco Busenello, is gebaseerd op het gelijknamige verhaal van Ovidius uit zijn eerste boek Metamorfosen, dat vertelt over de liefde van de god Apollo voor de nimf Dafne. Zoals vaak bij een verhaal uit de antieke oudheid zijn er nevenintriges, in dit geval de liefdesperikelen tussen Procri en Cefalo. Volgi, deh volgi il piede is een wanhoopskreet van Procri, die haar geliefde Cefalo smeekt om terug te keren. Het recitatief is een meesterwerk van expressieve tekstdeclamatie. De vorm is volledig vrij, belangrijke woorden worden benadrukt en er zijn grote contrasten die de inhoud verduidelijken. Slechts op enkele momenten wordt als een soort refrein de zin ‘Lassa, io m’inganno, io non son quella più’ hernomen, als een symbool van Procri’s radeloosheid.

Een gelijkaardige hartverscheurende emotie is te horen in Barbara Strozzi’s L’eraclito amoroso. Hier is de protagonist alle vertrouwen in zijn geliefde verloren en wordt hij door eeuwige pijn getroffen. Strozzi (1619-1677) groeide als adoptiedochter van componist Giulio Strozzi op in een artistiek milieu in Venetië en ze kreeg ook les van Francesco Cavalli. Ze stond bekend als een eminente zangeres én componiste. Ze gaf slechts enkele boeken uit met madrigalen en aria’s. L’Eraclito amoroso is opgenomen in de bundel Cantate, ariette, e duetti, opus 2 (1651), opgedragen aan Ferdinand III van Oostenrijk en Leonora II (Eleonora Gonzaga) van Mantua. De aria structureert Strozzi in zangerige strofen die worden afgewisseld met recitatieven. In die strofen hanteert ze een in de barok veel voorkomend compositorisch procedé, namelijk het lamento op ostinate bas. Een kort motief van een dalende kwart wordt in de basso continuo voortdurend herhaald, waarop de sopraan een vrije melodie kan zingen. Geheel volgens de traditie van de seconda pratica heeft Strozzi aandacht voor een nauwgezette tekstexpressie. Let bijvoorbeeld op de symbolische verklanking van woorden als ‘dolor’, ‘sospir’ en ‘sotterrimi’.

Cantaten in een huiselijke setting
Enkele generaties later is het Georg Friedrich Händel (1685-1759) die successen behaalde met zijn passionele opera’s, oratoria en cantaten. Als jonge componist reisde Händel in 1706 van Duitsland naar Italië om er de kneepjes van het vak te leren. Hij zou er tot 1710 verblijven en voor aristocratische broodheren in Rome werken. Hij componeerde er vooral cantaten, want die konden gemakkelijk in een huiselijke setting worden uitgevoerd. De cantate Armida abbandonata (Dietro l’orme fugaci) schreef Händel in 1707 voor prins Francesco Maria Ruspoli en werd wellicht uitgevoerd voor een zomers uitstapje naar Ruspoli’s buitenverblijf in Vignanello. De jonge sopraan Margherita Durastanti voerde het werk uit – ze zou een van Händels meest trouwe artiesten blijven, en ook later in Londen nog optreden in zijn operaproducties. Ah, crudele! is een van de drie aria’s uit die cantate en heeft een ABA-structuur. De A-gedeelten staan in een majeur-toonaard, en daar middenin contrasteert een passage in mineur.

Als rustpunt tussen de hartstochtelijke vocale werken speelt Bart Naessens de Toccata in F, een instrumentaal werk van Girolamo Frescobaldi (1583-1643). In een toccata volgt de componist geen vaste vorm, maar kan hij zijn fantasie de vrije loop laten. Het begrip is afgeleid van het Italiaanse ‘toccara’, wat aanraken betekent. Het is alsof de klavecinist op een improvisatorische wijze de mogelijkheden van het instrument verkent. Frescobaldi was dé klaviervirtuoos van zijn tijd en bekleedde enkele prestigieuze functies. Hij was onder andere organist aan het Vaticaan in Rome en ook organist van Ferdinando II, groothertog van Toscane.

Dit project kwam tot stand dankzij de giften van vele muziekliefhebbers aan het ‘Steunfonds voor jonge Belgische artiesten’ van AMUZ. 

Programma
Francesco Cavalli (1602-1676): Volgi, deh volgi il piede, uit: Gli amori d’Apollo e di Dafne

Georg Friedrich Händel (1685-1759): Ah, crudele, uit: Armida abbandonata, HWV 105

Girolamo Frescobaldi (1583-1643): Toccata in F

Barbara Strozzi (1619-1677): L’Eraclito amoroso, uit: Cantate, ariette e duetti, opus 2

Claudio Monteverdi (1567-1643): Quel sguardo sdegnosetto, SV 247

Uitvoerders
Deborah Cachet, sopraan | Bart Naessens, klavecimbel | Edouard Catalan, cello

Thomas Waelbroeck (streaming)

Klaviermuziek van Mozart en Hartmann

De geschiedenis kent vele muzikale families waar het metier van componist en uitvoerend muzikant werd doorgegeven van de ene generatie op de andere. Het beroemdste voorbeeld is de Duitse Bach-dynastie met de diverse vertakkingen in haar stamboom. In Wenen kon de bourgeoisie van de 19de en 20ste eeuw rekenen op de walsen, polka’s en marsen van de familie Strauss. En eveneens in Oostenrijk was het Leopold Mozart (1719-1787) die zijn zoon Wolfgang Amadeus (1756-1791) de kneepjes van het vak aanleerde. Het waren echter steeds de mannen die met de pluimen gingen lopen. Heel wat vrouwelijke muzikanten moesten hun carrière opgeven ten voordele van mannelijke familieleden en raakten in de vergetelheid. Zo was Wolfgangs zus Maria Anna (Nannerl) ook een uitzonderlijk begaafde pianiste en violiste.

Mozart
Wolfgang Amadeus componeerde zijn hele leven voor de piano. Zijn oeuvrecatalogus omvat 23 pianoconcerti, kamermuziek (trio’s, kwintetten, sonaten met viool) en diverse composities voor piano solo, waaronder variaties, fantasieën en sonaten. In totaal componeerde Mozart 18 solosonaten. De eerste pianosonate dateert van begin 1775 en de laatste van juli 1789. Thomas Waelbroeck speelt de sonate nr. 2 in F, KV 280. Ze maakt deel uit van de zes vroege sonaten die Mozart in 1775 in München componeerde. De jonge componist verbleef toen in de Beierse stad naar aanleiding van de opvoering van zijn opera La finta giardiniera. De zes sonaten werden nooit samen gepubliceerd, maar er zijn aanwijzingen dat Mozart daar wel de intentie toe had. Doordat elke sonate in een andere toonaard staat, maken ze een uitgebalanceerde harmonische boog (C, F, Bes, Es, G en D). Het was destijds gebruikelijk dat componisten een cyclus schreven waarin de moeilijkheidsgraad per sonate steeg, met een eenvoudige opener en een virtuoze afsluiter. De sonaten KV279-284 volgen effectief dat patroon – wat geenszins betekent dat de sonate KV 279 geschikt is voor ‘dummies’. Mozart noemde de cyclus trouwens ‘de zes moeilijke sonaten’. Zoals de andere sonaten heeft KV 280 drie bewegingen, en opvallend, alle drie staan ze in een drieledige maatsoort. De openingsbeweging, Allegro assai, heeft het karakter van een levendig menuet. De tweede beweging, Adagio, is een zangerige sicilienne in een mineurtoonaard (fa klein) en wordt door velen als een van de mooiste bewegingen van de groep beschouwd. Het afsluitende contrastrijke Presto keert terug naar het opgewekte karakter van de eerste beweging.

Hartmann
Waelbroeck omkadert de Mozartsonate met twee werken van August Wilhelm Hartmann: Rondo non troppo en Thème varié pour le pianoforte. Hartmann (1775-1850) is een telg uit een Deense muzikantenfamilie met Duitse roots. Hij kreeg les van zijn vader Johann Ernst (1726-1793) die zich in 1766 in Kopenhagen had gevestigd. Aanvankelijk was hij violist in de koninklijke hofkapel en twee jaar later werd hij tot kapelmeester gepromoveerd. August Wilhelm was net als zijn vader violist en kon verschillende leidende functies in de Deense hoofdstad bekleden. Hij was onder andere lid van de koninklijke hofkapel (1796-1817) en koormeester aan de garnizoenskerk (1817-1824). Zijn zoon Johann Peter Emilius (1805-1900) maakte carrière als organist en componist en was tevens directeur van het conservatorium in Kopenhagen. Op stilistisch vlak leunen de klavierwerken die Thomas Waelbroeck selecteerde aan bij de stijl van Haydn en Mozart, ook al werden ze omstreeks 1815 gecomponeerd. De kans is dus groot dat Hartmann niet op de hoogte was van de recente evoluties in de muziek en hij de pianowerken van Beethoven niet kende. Qua toonomvang zijn Hartmanns werken vergelijkbaar met die van de Weense klassiek. Ze zijn geschreven voor een pianoforte met vijf octaven, terwijl Beethoven in die periode voor instrumenten met 6 octaven componeerde. In de muziekgeschiedenis gaat de aandacht hoofdzakelijk naar ‘revolutionaire’ componisten, waardoor de kleine meesters onderbelicht blijven. De composities van Hartmann zijn misschien niet baanbrekend, maar het zijn mooie werken die pleiten voor zijn beheersing van het metier. Het Rondo non troppo, derde deel uit een meer uitgebreide pianosonate, heeft een courante ABACA-structuur. In het C-gedeelte zijn enkele opvallende modulaties te horen vooraleer wordt teruggekeerd naar de hoofdtoonaard do klein. In Thème varié pour le pianoforte behoudt Hartmann in elke van de zeven variaties de toonaard, maar speelt hij met metrum, ritme of textuur.

Leuk detail: Thomas Waelbroeck is zelf een afstammeling van de familie Hartmann en zijn grootvader heeft een verzameling partituren aan de koninklijke bibliotheek van Kopenhagen geschonken.

Dit project kwam tot stand dankzij de giften van vele muziekliefhebbers aan het ‘Steunfonds voor jonge Belgische artiesten’ van AMUZ. 

Programma
August Wilhelm Hartmann (1775 – 1850)
Rondo non troppo in c

Wolfgang Amadeus Mozart (1756 – 1791)
Pianosonate Nr. 2 in F, KV 280
I. Allegro assai
II. Adagio
III. Presto

August Wilhelm Hartmann (1775 – 1850)
Thème varié pour le pianoforte in Bes

Uitvoerders
Thomas Waelbroeck, pianoforte

Matthias Vancutsem (streaming)

“Some place where there isn’t any trouble … do you suppose there is such a place, Toto? There must be. It’s not a place where you can get to by a boat or train. It’s far, far away. Behind the moon, beyond the rain.”

Over the rainbow
Is er een plaats zonder zorgen? In The wizard of Oz geeft Dorothy, gespeeld door Judy Garland (1922-1969), ons al zingend het antwoord: “Ergens voorbij de regenboog.” Over the rainbow dateert van 1939 en is uitgegroeid tot een van de bekendste songs uit de filmgeschiedenis. De boodschap blijft tot op vandaag herkenbaar. Heel wat mensen hebben in het voorbije jaar ongetwijfeld verlangd naar een betere plek. Yip Harburg (1896-1981) schreef de lyrics van Over the rainbow, Harold Arlen (1905-1986) componeerde de muziek. Judy Garland had de song heel haar leven op haar repertoire en ook andere artiesten maakten meer of minder geslaagde bewerkingen. Een absolute hit was de versie van de Hawaïaanse zanger Israel Kamakawiwo’ole (1959-1997) in 1993, en recenter (2017) zong de Amerikaanse Ariana Grande (°1993) de song tijdens een benefietconcert in Manchester, dat door miljoenen luisteraars op diverse mediakanalen werd gehoord.

De Japanse componist Toru Takemitsu maakte in 1974 een bewerking voor gitaar solo, die enkele jaren later werd uitgegeven in de bundel Twelve songs for guitar (1977). Is het omdat hij zelf ook meer dan honderd filmscores heeft gecomponeerd, dat hij de sfeer van de oorspronkelijke song zo treffend heeft kunnen hertalen voor een instrument? In het begin van zijn carrière nam Takemitsu afstand van zijn Japanse culturele roots. Het waren vooral Europese componisten die hem inspireerden, zoals Debussy en Messiaen. Vanaf de jaren 1960 raakte hij meer in de ban van de Japanse muziek. Daardoor ontstond een persoonlijk idioom – niet zomaar een optelsom van Oost en West, maar een uiterst geraffineerde toonspraak. “Mijn muziek is als een tuin, en ik ben de tuinier”, vertelde hij. “Naar mijn muziek luisteren kan je vergelijken met het wandelen in een tuin waarbij je veranderingen ervaart in licht, patroon en textuur.” In zijn bewerking van Over the rainbow hoor je inderdaad flarden van de song in steeds variërende patronen, in een sfeer van nostalgie en wazige dromen.

Poolse cultuur
De Hommage à Chopin van Alexandre Tansman (1897-1986) getuigt van een andere nostalgische blik. Het is de herinnering aan een legendarische landgenoot van een componist wiens relatiestatus met zijn thuisland als “it’s complicated” kan worden bestempeld. Al vroeg in zijn carrière besliste Tansman om naar Parijs te trekken, omdat hij niet aardde in het conservatieve klimaat van zijn geboorteland Polen. In het avant-gardistische milieu van de jaren 1920 en 1930 behaalde hij grote successen. Zijn afkeer voor zijn thuisland groeide en daarenboven werd zijn muziek vanwege zijn Joodse afkomst vanaf 1938 in Polen verboden. Tansman verwierp zijn Poolse nationaliteit en nam de Franse aan. Maar ook Frankrijk bleek geen veilige plek tijdens WO II. Hij vluchtte naar Amerika en keerde in 1946 naar Frankrijk terug. Vanaf 1956 knoopte hij wel nieuwe banden aan met zijn geboorteland.

Ondanks de complexe relatie met Polen verwees Tansman in zijn composities regelmatig naar de Poolse cultuur. “We kunnen de culturele tradities en het geheugen van de omgeving waarin we opgroeiden niet zomaar uitwissen”, verklaarde Tansman. “Of mijn muziek in mijn thuisland bekend is of niet, ik behoor tot de Poolse cultuur. Ik ben een Frans staatsburger, maar dat wijzigt de artistieke affiliatie niet, die zich altijd in mijn muziek heeft gemanifesteerd.” Die werd letterlijk geuit aan de hand van citaten uit de volksmuziek, of eerder indirect d.m.v. een nostalgisch, melancholisch karakter dat Tansman in de Poolse muziek herkende, of door een verwijzing naar Poolse meesters als Chopin. De titels van de drie bewegingen in de Hommage à Chopin, nl. PreludeNocturne en Valse romantique, verwijzen ook onmiskenbaar naar het oeuvre van Chopin. Tansman weet het idioom van Chopins klavierwerken op gestileerde manier om te buigen naar een schriftuur voor gitaar.

Italiaanse cultuur
Het leven van Mario Castelnuovo-Tedesco (1895-1968) vertoont enkele opvallende gelijkenissen met dat van Tansman. Hij behoorde in het interbellum tot een stroming van avant-gardistische componisten in Italië. Daarnaast was hij ook succesvol pianist, recensent en essayist. Vanwege zijn Joodse afkomst kwam zijn muziek vanaf 1938 op de lijst van verboden werken te staan. In 1939 vluchtte hij met zijn familie naar de Verenigde Staten, eerst naar New York en vervolgens naar Californië. Net als andere Europese Joodse componisten vond hij werk in de legendarische filmstudio’s van Hollywood. Castelnuovo-Tedesco verleende zijn medewerking aan niet minder dan 250 filmprojecten. Hij voerde diverse opdrachten uit, gaande van het arrangeren van reeds bestaande muziek tot het uitschrijven van complete partituren. In vele gevallen kreeg hij nooit erkenning voor zijn werk. Hij stond ook bekend als een uitstekend leraar, van o.a. Henry Mancini of John WIlliams, tegenwoordig legendarische componisten. Castelnuovo-Tedesco schreef daarnaast nog opera’s en kamermuziek, zoals de Tre preludi mediterranei (1955). Dit werk voor gitaar solo is een voorbeeld van zijn neo-klassieke periode, waarin hij verwijst naar traditionele vormen en de Italiaanse cultuur en geschiedenis. Hij beweerde echter “nooit te geloven in modernisme of neoclassicisme, of in eender welk -isme.” Muziek moest voor hem vooral expressief zijn. Dat bewijst hij met verve in de ‘drie preludes’. Elke beweging heeft een eigen karakter; de lieflijke Serenatella, een doorvoelde Nenia (klaagzang), en de uitbundige Danza.

Dit project kwam tot stand dankzij de giften van vele muziekliefhebbers aan het ‘Steunfonds voor jonge Belgische artiesten’ van AMUZ. 

Programma
Alexandre Tansman
Hommage à Chopin (1966)
I. Prelude
II. Nocturne
III. Valse romantique

Mario Castelnuovo-Tedesco
Tre preludi mediterranei (1955)
I. Serenatella
II. Nenia
III. Danza

Harold Arlen / Toru Takemitsu
Over the rainbow (1977)

Uitvoerders
Matthias Vancutsem, gitaar

Lieve De Sadeleer & Giulio Quirici (streaming)

De routine doorbroken

De reeks concerten in het kader van het steunfonds jonge Belgische artiesten wordt afgesloten met een videoconcert waarin de blokfluit de hoofdrol speelt. Blokfluitiste Lieve de Sadeleer speelt werk uit de barok, en een eigen compositie. Ze bewijst hiermee dat de blokfluit een uiterst veelzijdig instrument is. Giulio Quirici begeleidt haar in het historische repertoire van Jacob van Eyck en Louis Detri.

Jacob Van Eyck

Bouffons en Laura zijn twee korte werken uit Der fluyten lust-hof, een bundel van Jacob Van Eyck (1589/90-1657). In twee volumes (1644 en 1646) verzamelde de Nederlandse componist niet minder dan 143 composities voor blokfluit solo. Van Eyck was een telg van een adellijke familie en werd blind geboren. Hij had echter een uitzonderlijk goed gehoor. “God nam ’t hem in het oog, / Maar gaf ’t hem weer in ’t oor”, werd over hem geschreven. In 1623 verhuisde hij van zijn geboortestadje Heusden naar Utrecht, waar hij carrière maakte als beiaardier aan de dom en enkele kleinere kerken. De eretitel “directeur van de klok-werken tot Uitrecht” prijkte op verschillende van zijn publicaties. Dankzij een uitzonderlijk nauwkeurige waarneming van de boventonen, kon Van Eyck de kwaliteit van de klokken aanzienlijk verbeteren. Daarnaast was hij een getalenteerd amateurblokfluitist, die vanaf 1639 regelmatig in de stad speelde. De kerkenraad bood hem als bedanking in 1649 een loonsverhoging aan, “mits dat hij de wandelende luijden opt kerckhoff somwijlen savons mit het geluijt van sijn fluijtien vermaecke” (het kerkhof was destijds al een stadspark).

Van Eyck maakte niet zomaar een geluid, maar improviseerde vooral op bekende melodieën. Het zijn die improvisaties die hij later dan in Der fluyten lust-hof noteerde. Die werken zijn een eindpunt van een lange traditie van diminuties, die al tot de middeleeuwen teruggaat. Zoals in Laura te horen is, wordt een melodie voorgesteld en volgen steeds complexere variaties, waarin een schijnpolyfonie wordt gecreëerd. In Bouffons voegt gitarist Giulio Quirici een eigen uitgewerkte basso-continuo toe aan de blokfluitpartij.

Signore Detri

Het andere barokke werk op dit programma is de Sonate in c van een zekere Signore Detri. Over de identiteit van deze man is weinig bekend, meer nog, de sonate is het enige werk dat van die componist is overgeleverd. Het manuscript bevindt zich in de universiteitsbibliotheek van Rostock, waar de muziekbibliotheek van erfprins Friedrich von Württemberg (1698-1731) wordt bewaard. In de hofkapel in Schloss Ludwigsburg was van 1727 tot 1732 de fagottist Louis Detri actief, die als “guth und fleissig” werd beschreven. De kans is dus groot dat de sonate van zijn hand is. Muzikanten speelden destijds vaak verschillende instrumenten.

Het Württembergse hof volgde lange tijd de Franse modes, maar vanaf 1717 kwam er een trendbreuk. Er werd een Italiaanse kapelmeester aangesteld – Giuseppe Antonio Brescianello (1690-1758) – en ook het uitgevoerde repertoire was hoofdzakelijk Italiaans. Detri’s Sonate in c volgt ook de Italiaanse patronen voor kamermuziek. Ze bestaat uit vier bewegingen met een afwisseling tussen langzame en snelle tempi (Adagio-Presto-Adagio-Gigue/Presto) en laat de blokfluit op vele manieren schitteren. De snelle bewegingen vergen een virtuoze vingervlugheid. De langzame bewegingen lijken haast een zangerige opera-aria voor een instrument.

Lieve de Sadeleer – Breaking the routine

De Sadeleer is niet alleen blokfluitiste, maar ook componiste. Als geen ander kent ze de mogelijkheden van haar instrument. Tijdens haar studies aan het conservatorium leerde ze ook de geheimen van de elektronica ontcijferen. Breaking the routine is een vervolg op Routine, een eerdere compositie waarin de muziek telkens weer hervalt in herhalende patronen. Breaking the routine maakt hiermee komaf en breekt los. Dit vertaalt zich in de muziek onder meer door een samenspel van clicks, uitgerekte lijnen en afbrekende ritmische structuren. De inspiratie voor het nieuwe werk komt uit de COVID-crisis. We zochten rust in de natuur, maar we hervatten nu geleidelijk aan het courante leven met de bijbehorende drukte. Hierdoor ontstaat een spanning en wordt de routine doorbroken.

De Sadeleer speelt in het werk op basblokfluit, tenorblokfluit en sopranino. De klanken van die instrumenten worden bewerkt door live electronics en meer bepaald de software van het programma Ableton Live. Er worden geen samples (vooraf opgenomen muziekfragmenten) gebruikt.
Het stuk start met het zachte getik van het neerkomen van de vingers op de vingergaten en op de kleppen van de blokfluiten. In de eerste minuten van het stuk wordt er met behulp van loopers, delay en beat repeat een laag van geluiden gecreëerd die verwijzen naar de natuur. Wanneer de basblokfluit op de voorgrond treedt, verandert het karakter. De klanken van de basblokfluit worden onder andere achterstevoren afgespeeld, gestretcht en ‘gefreezed’. Uit de basblokfluitklanken ontstaat een ritmisch patroon door in een buffer heen en weer te springen. Wat later doet een harde ruisende laag zijn intrede, waardoor het ritmische patroon – de gevestigde routine – wordt doorbroken, tot er enkel ruis overblijft. De storm gaat als het ware liggen, terwijl het stuk geleidelijk aan verdwijnt in het niets.

In deze compositie ligt niet alles noot per noot vast. De Sadeleer componeert de grote structuur en bepaalt op voorhand welke effecten ze zal gebruiken. De lengte van een sectie kan echter verschillen naargelang van de uitvoering. De effecten reageren dan ook geen twee keer hetzelfde op de verschillende input. Dat zorgt ervoor dat uitvoeringen nooit identiek zijn en er telkens – binnen de vastgelegde structuur – een tikkeltje onvoorspelbaarheid blijft.
Er worden bewust geen melodische lijnen gespeeld in dit stuk. Wel hoor je een opeenstapeling van klankvelden en -kleuren. Zo wordt een opmerkelijk contrast gecreëerd met de werken van Detri en Van Eyck.

Dit project kwam tot stand dankzij de giften van vele muziekliefhebbers aan het ‘Steunfonds voor jonge Belgische artiesten’ van AMUZ. 

Programma

Signor Detri [Louis Detry?] (?-?)
Sonate in c voor blokfluit en basso continuo
I. Adagio
II. Presto
III. Adagio
IV. Gigue. Allegro

Lieve De Sadeleer (°1995)
Breaking the routine

Jacob van Eyck (1590-1657)
Der fluyten lust-hof
CV. Bouffons
CXXIV. Laura

Uitvoerders

Lieve De Sadeleer, blokfluit & Giulio Quirici, teorbe en barokgitaar

Officiële opening AMUZ, Dominique Visse & B’Rock

Het nieuwe barokorkest B’Rock werd in 2005 opgericht door jonge, vooraanstaande barokspecialisten in Vlaanderen. Het orkest werkt zonder vaste dirigent en met een wisselende bezetting. De vaste kern bestaat uit jonge musici die eerder hun ervaring op het gebied van historische uitvoeringspraktijk opdeden bij gespecialiseerde orkesten in binnen- en buitenland zoals La Petite Bande, Anima Eterna, Freiburger Barockorchester, Les Musiciens du Louvre en Concerto Köln. In de pers werd het jonge ensemble alvast fel bejubeld: “De leden van B’Rock speelden bijzonder eensgezind samen en in de solo’s werd duidelijk dat het orkest een kostbaar reservoir van puike solisten is.” Of nog: “De spontaniteit in de uitvoering illustreerde dat dit orkest een frisse wind wil laten waaien door het gevestigde barokmuzieklandschap.” B’Rock brengt het muzikale relaas van Don Quichote van La Mancha, die door het lezen van ridderromans in de waan raakt dat hij het onrecht in de wereld moet uitroeien. De swingende orkestsuites van Telemann en de komische cantates van Philippe Courbois en Pierre de la Garde schetsen beeldrijk de ingebeelde avonturen van de pantoffelheld. Met de bekende Franse contratenor Dominique Visse kiest B’Rock voor een solist van hoog niveau met een stevige reputatie als het op humor aankomt. AMUZ kan zich alvast geen AMUZanter openingsconcert wensen.Dit concert is het officiële openingsconcert van AMUZ. Om 20.00 uur start de officiële opening met inleidingen van voorzitter en Antwerps schepen van cultuur Philip Heylen, van Lieve Schaubroeck, directeur van AMUZ en van de Antwerpse stadsdichter Ramsey Nasr. Het concert start om 21.00 uur.

Uitvoerders
Kurt Van Eeghem: presentatie
Philip Heylen: voorzitter
Lieve Schaubroeck: directeur
Ramsey Nasr: stadsdichter
Dominique Visse: contratenor
B’Rock
Lidewij Van der Voort: concertmeester (B’Rock)
Clemens Nuszbaumer: coach

13 januari, 2006 21:00 -- AMUZ

Van Swieten Society & Frits van Oostenbruggen

Mozartkenner en pianist Bart van Oort, acteur Frits van Oostenbruggen en regiseur Paulien Haakma maakten een vertelconcert voor kinderen. Samen met het pianotrio van de Van Swieten Society vertellen ze op een serieuze en grappige toon over de magie van Mozart en zijn muziek. Met het oog op het feestelijke jaar 2006 (precies 250 jaar nadat Mozart werd geboren) wil de Van Swieten Society een cd opnemen met muziek van Mozart: er moet worden gerepeteerd en de opnametechnicus moet zijn KlankKast in gereedheid brengen. Hiermee kan hij alle muziek van de hele wereld opnemen maar ook bijna alles opzoeken wat hij over muziek wil weten. Er komen dan ook veel vragen naar boven: wat is componeren, hoe doet een genie dat (wat is een genie eigenlijk?), kon Mozart breien, en hoe werkt een piano? Heeft Mozart eigenlijk ook tophits en ringtones gecomponeerd? Gelukkig kennen Bart van Oort en de andere leden van de Van Swieten Society de antwoorden.

Uitvoerders
Frits van Oostenbruggen: acteur
Paulien Haakma: regisseur
Van Swieten Society
Bart Van Oort: piano
Rémy Baudet: viool
Jan Insinger: cello

14 januari, 2006 09:30 -- AMUZ