Home > Concertdatabank

Magistraal meerstemmig: polyfonie voor starters en liefhebbers

Onlinecursus

Onder de prachtige rozet van de Notre Dame in Parijs werd midden 12de eeuw de meerstemmige muziek geboren. In de volgende vijfhonderd jaar transformeerde het eenvoudige organum tot het rijke contrapunt waaraan onder meer Bach zich zou laven. Van het fijnzinnige filigraanwerk van de ars subtilior over de ‘klassieke’ renaissancepolyfonie tot de nabloei in de vroegbarok werpt deze introductie tot de polyfonie een blik op mijlpalen, topcomponisten, basisbegrippen en uitvoeringspraktijken. Polyfonie is voor u een onbetreden pad? Dan is deze cursus uw ideale gids. U bent een fijnproever die geen enkel oudemuziekfestival mist? Ook in dat geval scherpt u dankzij de overzichtelijke teksten, illustratief beeldmateriaal en zorgvuldig gekozen muziekfragmenten uw kennis en luistervaardigheden aan.

Docent
Sofie Taes

Praktisch
€ 15

In samenwerking met
Davidsfonds Academie

Festival
Laus Polyphoniae 2020 | Polyphony connects

Beniamino Paganini & Nele Vertommen (streaming)

Duitse kamermuziek met een Frans tintje

Klaviermuziek in Franse stijl

Tegenwoordig is Georg Friedrich Händel (1685-1759) beroemd voor zijn opera’s en oratoria, maar in zijn eigen tijd werd de kosmopoliet ook geprezen als virtuoos improvisator op het klavier. In 1720 publiceerde hij in Londen de bundel Suites de Pièces pour le Clavecin, Premier Volume, gevolgd door een tweede volume in 1723. Veel meer klaviermuziek zou hij echter niet uitgeven. In zijn klavecimbelsuites volgt hij het Franse stramien van de gestileerde danspatronen. In de Suite nr. 3 in d (HWV 428) bevrijdt hij zich echter van de courante vorm. De Air et cinq doubles is een eerder ongebruikelijke variatiereeks op een zangerig thema.

Solowerken van Telemann

Niet alleen Händels klavecimbelsuites staan in de schaduw van de instrumentale werken van zijn tijdgenoot Johann Sebastian Bach, ook Georg Philipp Telemann (1681-1767) heeft in zijn omvangrijke oeuvrecatalogus talloze solowerken die meer onze aandacht verdienen. De Koninklijke Bibliotheek van België bezit de enige overgeleverde druk van twaalf Fantasie per il Violino, senza Basso. De toeschrijving voor viool is echter een fout – het gaat wel degelijk om idiomatische werken voor fluit, die wellicht in de jaren 1720 werden gedrukt, en niet omstreeks 1733 zoals lang werd aangenomen. Telemann gebruikt inderdaad alle mogelijkheden van de traverso. De toonaarden zijn zo gekozen dat de kwaliteiten van het instrument optimaal tot hun recht komen. Voor sommige tonen schrijft Telemann verschillende grepen voor, waardoor de klank soms helder is, soms eerder dof. Daarnaast creëert hij een fictieve polyfonie, door onder andere met contrasten in toonhoogten te spelen. De fluitist is bijgevolg niet alleen solist, maar ook begeleider van zichzelf.

Tussen 1728 en 1729 publiceerde Telemann Der getreue music-meister, een reeks vocale en instrumentale werken voor pedagogische doeleinden. 25 ‘Lectionen’ werden op diverse tijdstippen verkocht en bevatten werken van Telemann zelf en van enkele collega-muzikanten. Ook al waren ze bestemd voor de opkomende burgerij die graag thuis musiceerde, werden ze eveneens aan diverse Duitse hoven uitgevoerd. De Suite TWV 41:g4 voor hobo en basso continuo telt in totaal zes bewegingen. Nele Vertommen speelt hieruit de Ouverture, het onbekommerde Sans souci en het dansante Passepied.

De galante stijl van Weiss

Tegenwoordig helemaal onbekend is Johann Sigismund Weiss (1690-1737), broer van de luitist Silvius Leopold. Vanaf 1708 tot aan zijn dood werkte Johann Sigismund als luitist aan het hof van de Paltsgraven aan de Rijn – aanvankelijk in Düsseldorf en vervolgens in Heidelberg en Mannheim. Na de dood van Johann Willem van de Palts in 1716 waren de posities aan de hof precair, waardoor Johann Sigismund even in Londen zijn kansen waagde. Hij keerde terug naar het hof en werd in 1732 gepromoveerd tot directeur voor instrumentale muziek. In de archieven van 1734 duikt hij op als concertmeester en teorbespeler. Het manuscript van zijn Sonate voor hobo in een galante stijl wordt bewaard in de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Brussel.

Dit project kwam tot stand dankzij de giften van vele muziekliefhebbers aan het ‘Steunfonds voor jonge Belgische artiesten’ van AMUZ.

Programma
Georg Philipp Telemann (1681-1767). Suite in g, TWV 41:G4, uit Der getreue Music-Meister
Ouverture – Très vite – Sans souci – Passepied

Georg Friedrich Händel (1685-1759). Blokfluitsonate in g, HWV 360, opus 1 nr. 2
Presto

Georg Friedrich Händel. Suite in d, HWV 428
Air met Doubles

Georg Philipp Telemann. Fantasie nr. 12 in g voor fluit solo, TWV 40:13
Grave – Allegro – Grave – Allegro – Dolce – Allegro – Presto

Johann Sigismund Weiss (na 1690-1737). Hobosonate in g
Adagio – Rondeau – Sarabande – Gigue presto

Uitvoerders
Beniamino Paganini, klavecimbel & traverso | Nele Vertommen, hobo & blokfluit

Korneel Van Neste & Justin Glaie (streaming)

Engelse liederen

Contratenor Korneel Van Neste en luitist Justin Glaie selecteerden enkele parels uit de Engelse vocale muziek, met werken van John Danyel en John Dowland. In 1597 publiceerde John Dowland een boek met luitliederen dat zou uitgroeien tot een baken in de geschiedenis van het Engelse lied. Op het continent waren dergelijke verfijnde werken voor solozang en luit al vanaf de vroege 15de eeuw gangbaar, maar het genre was tot dan toe aan Engeland voorbij getrokken, als we afgaan op de meer eenvoudige voorbeelden die in de tijd vóór Dowland werden neergepend.

Dowland onderscheidt zich van zijn collega’s omwille van zijn duidelijke gevoel voor melodie, zijn talent om uitstekende teksten te kiezen of zelfs te schrijven, de finesse en het muzikale belang van zijn luitbegeleidingen, het frequente gebruik van dansvormen, zijn bewerkingen van bekende luitsolo’s en zijn zoektocht naar recitatiefachtige texturen. Dit zijn maar enkele kenmerken die de moderne luisteraar zullen treffen. Tudor-luisteraars beleefden met de publicatie van Dowlands Firste Booke of Songes een muzikaal event van formaat dat de opmaat bleek voor een nieuw en extreem populair genre. Het Firste Booke of Songes werd vijfmaal opnieuw gedrukt en Dowland bracht nóg drie liedbundels uit, naast bijdragen aan andere drukken. Bovendien zouden de Londense persen 25 jaar lang een stortvloed aan luitliedboeken produceren: componisten als Thomas Campion en Robert Jones schreven verschillende verzamelingen, terwijl anderen zoals Alfonso Ferrabosco, John Danyel, Francis Pilkington en Thomas Morley elk één boek schreven. Toen in 1622 de laatste publicatie van het genre het licht zag, geschreven door John Attey, was het luitlied een stralend hoogtepunt in een muzikaal toch al rijke periode.

Een werk voor luit solo brengt ons naar Italië, waar het repertoire voor dat snaarinstrument al in de vroege 16de eeuw een grote bloei kende. Francesco da Milano was een van de sterren aan het firmament, en vertoefde een groot deel van zijn leven aan het pauselijke hof in het Vaticaan. Hij werd geprezen voor zijn improvisaties, en zijn Fantasia is wellicht het neergeschreven resultaat van zijn fantasierijke muzikale genie.

Dit project kwam tot stand dankzij de giften van vele muziekliefhebbers aan het ‘Steunfonds voor jonge Belgische artiesten’ van AMUZ. 

Programma
Francesco Canova da Milano (1497-1543). Fantasia

John Danyel (1564-ca. 1626). Like as the lute delights

Anthony Holborne (1545-1602). Pavan

John Dowland (1563-1626). Can she excuse my wrongs

John Dowland. In darkness let me dwell

John Dowland. Time stands still

Uitvoerders
Korneel Van Neste, contratenor | Justin Glaie, luit

Mario Sarrechia (streaming)

Klaviermuziek uit de Lage Landen en Frankrijk

Klavecinist Mario Sarrechia speelt niet alleen in ensembles als La Petite Bande en zijn eigen Amsterdam Corelli Collective, hij heeft ook al boeiende solorecitals op zijn palmares staan. Passend bij dit project verkent hij het repertoire van de Lage Landen, met muziek van Jan Pieterszoon Sweelinck en Joseph-Hector Fiocco. Het is algemeen bekend dat Antwerpen een belangrijk centrum was voor de klavecimbelbouw. De instrumenten die de Ruckersfamilie in de 16de en 17de eeuw bouwde, gelden nog steeds als de Rolls-Royces onder de klavecimbels. Niettemin is het opmerkelijk dat er relatief weinig repertoire voor het instrument bekend is. Dat heeft te maken met de muziekpraktijk uit die tijd. Ten eerste werd er op het klavier veel geïmproviseerd, waardoor er logischerwijze geen sporen werden nagelaten. Ten tweede was er een beperkte afzetmarkt voor muziekdrukken en hebben handgeschreven bronnen vaak de tand des tijds niet overleefd. Ten derde blijft er ook gewoon nog te veel anonieme muziek onder het stof liggen. Gelukkig is de muziek van de Lage Landen in de laatste decennia meer onder de aandacht gekomen, dankzij het werk van een pionier als Ton Koopman.

De Amsterdamse organist, componist en pedagoog Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) was een bruggenbouwer tussen de renaissance en de barok. Hij haalde de mosterd van de Spaanse en Italiaanse scholen, en vooral van de Engelse virginalisten als William Byrd en John Bull. Net als die laatste, componeerde Sweelinck virtuoze klaviermuziek vol variaties en fantasierijke ornamentiek. Hij schreef ook complexe contrapuntische werken waarin verschillende stemmen door elkaar worden gevlochten. Zijn Paduana lachrymae is een variatiereeks op een melodie van de Engelse John Dowland (1563-1626). Sweelinck plaatste die melodie in verschillende stemmen en combineerde ze met contrapuntische motieven.

Een eeuw later leefde Joseph-Hector Fiocco (1703-1741). Hij werkte als ‘sangmeester’, eerst in Antwerpen, vervolgens aan de kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele in Brussel. Zijn Pièces de clavecin (1730) zijn sterk beïnvloed door de Franse stijl van François Couperin, zowel op het vlak van de structuur, als van de harmonische evolutie, de melodie en de ornamentiek. De bundel bevat twee grote suites; een opeenvolging van typisch Franse dansen met een descriptieve titel. Voor de laatste vier bewegingen van de eerste suite (die Sarrechia tijdens zijn recital speelt), week Fiocco echter af van het Franse model; zij vormen een opzichzelfstaande sonate naar Italiaanse stijl met de tempoaanduidingen adagio, allegro, andante en vivace. Vooral het lyrische karakter van de langzame delen herinnert aan de muziek van Fiocco’s tijdgenoot Vivaldi, die in hetzelfde jaar overleed.

Vijftien jaar na het overlijden van Fiocco publiceerde Jacques Duphly zijn Troisième livre de pièces de clavecin. Duphly (1715-1789) werkte aanvankelijk als organist in Normandië, maar verhuisde in 1742 naar Parijs, en maakte er carrière als klavecinist. Hij genoot er een uitstekende reputatie en gaf er privéles bij de meest vooraanstaande families. Er is weinig werk van hem overgeleverd, maar zeker is dat hij vier bundels met klaviermuziek heeft neergepend. Na zijn dood raakte hij echter snel in de vergetelheid. Is het niet symbolisch dat hij overleed in het jaar waarin de Franse revolutie begon? Niet alleen rolden de koppen onder de guillotine, ook klavecimbels werden verbrand als ketters attribuut van de Franse aristocratie. Duphly’s Chaconne in F is het meest uitgebreide deel uit zijn derde bundel. In het sjabloon van een plechtstatige dans in een drieledige maatsoort, haakt Duphly verschillende variaties aan elkaar vast. Hij is geen vernieuwer op het vlak van de stijl als de compositietechniek, maar geldt als een ‘petit maître’ die volgens klavecinist Christophe Rousset op een “geweldige manier” voor het klavecimbel componeerde.

Dit project kwam tot stand dankzij de giften van vele muziekliefhebbers aan het ‘Steunfonds voor jonge Belgische artiesten’ van AMUZ. 

Programma
Joseph-Hector Fiocco (1703-1741)
uit: Pièces de Clavecin, Opus 1
Suite in G, opus 1 nr. 1
Adagio | Allegro | Andante | Vivace

Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621)
Paduana lachrymae

Jean-Jacques Duphly (1715-1789)
uit: Pièces de Clavecin, 3ème livre
Chaconne in F

Uitvoerders
Mario Sarrechia, klavecimbel

Adriaan Lauwers (streaming)

Muziek voor teorbe en barokgitaar

Tijdens de renaissance en barok bestond er een grote variatie aan tokkelinstrumenten; van een kleine cister tot luiten met volumineuze klankkasten. Eén instrument had in Firenze een bijzondere status, namelijk de chitarrone. In de Camerata Fiorentina van graaf Giovanni de’ Bardi’ kwamen tussen 1573 en 1587 zangers en dichters bijeen om te discussiëren en samen te musiceren. Ze ontwikkelden er ook een nieuwe zangstijl, het recitatief, waarbij de tekst centraal stond. De chitarrone was daarbij het meest uitgelezen instrument om die monodische gezangen te begeleiden. Vanaf 1600 werd de term chitarrone vervangen door teorbe.

Opvallend aan het instrument is de lange hals met de bassnaren. Die laat toe om muziek uit te voeren met een ruime toonomvang en daardoor kon het repertoire worden uitgebreid. Teorbisten werden bijgevolg al snel gepromoveerd van begeleiders tot solisten. Met hun wendbare instrument – op muzikaal vlak welteverstaan, want het is een groot onhandig gevaarte op een podium – konden virtuozen al hun kunnen tentoonspreiden. Beroemde specialisten op de teorbe (en de luit) waren destijds Bellerofonte Castaldi (1580-1649) en Girolamo Kapsberger (1580-1651).

Castaldi spendeerde het merendeel van zijn leven in Modena en Venetië. Hij kon rondkomen met de inkomsten van zijn landgoed en kon zijn tijd onbezorgd aan de kunsten spenderen. Hij moet een kleurrijk, vrijgevochten figuur zijn geweest. Zijn oeuvre voor de teorbe behoort tot het meest flamboyante van zijn tijd, met pittige ritmen, imitatief contrapunt en veelvuldig rondgestrooide dissonanten. Cecchina corrente is een deel uit de bundel Capricci a 2 stromenti cioè tiorba e tiorbino e per sonar solo varie sorti di balli e fantasticarie (Modena, 1622) die hij met eigen gravures heeft verlucht.

De beroemdste en meest productieve onder de luitvirtuozen was Giovanni Girolamo Kapsberger. Deze zoon van een Oostenrijks kolonel en edelman is wellicht in Venetië geboren en beleefde zijn carrière ook in Italië. Reeds vanaf 1605 woonde de muzikant in Rome, waar hij academies organiseerde die bekendstonden als de wonderen van Rome. Hij schreef niet alleen muziek voor zijn eigen instrument, maar componeerde ook villanellen, madrigalen, motetten en heuse muziekspektakels voor de pauselijke kringen. Hij was meer dan dertig jaar in dienst van kardinaal Francesco Barberini, neef van paus Urbanus VIII. Hij was een centrale figuur in de ontwikkeling van de teorbe als solo-instrument. Zijn speelstijl viel op door de passages met arpeggio’s, ongebruikelijke ritmiek en versieringen.

Adriaan Lauwers speelt eveneens muziek voor barokgitaar van Italiaanse en Spaanse componisten. De Italiaan Giovanni Paolo Foscarini (fl. 1627-1649) was de ster onder de gitaristen en concerteerde in Brussel, Parijs, Rome en Venetië. Zijn bijnaam ‘Il Furioso’ doet vermoeden dat hij geen naïeve deuntjes tokkelde om de high society in slaap te wiegen. Hij publiceerde vijf bundels voor de ‘chitarra spagnola’. Net zo belangrijk voor de Spaanse gitaarmuziek waren Francisco Guerau (1649-1722) en Santiago de Murcia (1673-1739). Gueraus bundel Poema harmónico compuesto de varias cifras por el temple de la guitarra española (1694) bevat 27 composities en een interessante uitleg over ornamentiek op de gitaar. Het zijn voornamelijk sobere ‘passacalles’, een dans in een drieledige maatsoort op een herhaalde bas. Van Santiago de Murcia is weinig biografisch materiaal bekend, maar gelukkig zijn wel meerdere manuscripten van zijn hand overgeleverd, want ze behoren tot het beste dat voor de barokgitaar is gecomponeerd. Cifras selectas de guitarra (1722) is een manuscript met gedetailleerde vingerzettingen. De folio’s bevatten hoofdzakelijk variaties op Spaanse dansen als de ‘jácara’ en ‘canario’.

Dit project kwam tot stand dankzij de giften van vele muziekliefhebbers aan het ‘Steunfonds voor jonge Belgische artiesten’ van AMUZ. 

Programma
Domenico Pellegrini (d. na 1682). Ricercata per la E

Giovanni Paolo Foscarini (fl. 1629-47). Corrente con la sua variatione

Giovanni Girolamo Kapsberger (1580-1651). Toccata arpeggiata

Bellerofonte Castaldi (1580-1649). Cecchina corrente

Giovanni Girolamo Kapsberger. Capona – Canario

Giovanni Girolamo Kapsberger. Felici gl’animi

Francisco Guerau (1649-1722). Pasacalles de primo tono

Francisco Guerau / Santiago de Murcia (1673-1739). Jacaras por la E

Santiago de Murcia. Canarios por la C

Uitvoerders
Adriaan Lauwers, zang, teorbe, barokgitaar

Lies Wyers & Pieter Vandeveire (streaming)

Composities voor 2 viola da gamba’s uit het 17de-eeuwse Engeland

De Brexit mag dan een feit zijn, AMUZ zal muziek uit Groot-Brittannië blijven programmeren. Los van alle politieke perikelen kan je niet anders dan het fenomenale muzikale erfgoed dat onze buren over het Kanaal hebben voortgebracht bewonderen. Van de middeleeuwen tot vandaag, de lijst van magistrale componisten en uitvoerders is indrukwekkend lang. Ook Lies Wyers en Pieter Vandeveire, twee jonge Belgische muzikanten, zijn verknocht aan het Engelse repertoire. Meer nog, Lies Wyers is ook gepassioneerd door de Engelse taal. In 2015 schreef ze een masterthesis over de uitspraak van de 17de-eeuwse Engelse vocale muziek.

Het instrument met de zachte, zangerige toon
Voor het concert in het kader van het Steunfonds jonge Belgische artiesten zullen Wyers en Vandeveire niet hun stembanden, maar wel de snaren van de viola da gamba laten trillen. Dit instrument was meerdere eeuwen lang erg geliefd in heel West-Europa. De Italiaanse naam geeft verduidelijking over de speelwijze: het snaarinstrument wordt tussen de benen (gambe) geklemd, en met een strijkstok worden de snaren dan aan het trillen gebracht. De oorsprong van de viola da gamba ligt in Zuid-Europa in de late middeleeuwen. In Engeland duikt het instrument op aan het hof van Henry VIII (1491-1547), waar vanaf 1526 twee viola-da-gambaspelers een maandloon krijgen. Vanaf 1540 betaalt de koning zelfs een heus consort dat bestaat uit Italiaanse muzikanten. Daarna zal de viola da gamba ook buiten het koninklijk hof te horen zijn. Zo worden de koorknapen van de Chapel Royal, Saint Paul’s Cathedral en Westminster Abbey vanaf het midden van de 16de eeuw onderricht in de viola da gamba, en in dezelfde periode verspreidt het instrument zich ook verder op het Britse eiland. Terwijl de viola da gamba op het Europese vasteland in de loop van de vroege 18de eeuw aan populariteit moet inboeten tegenover de viool en de cello, blijven Engelse professionele én amateurmuzikanten nog tot het midden van de 18de eeuw trouw zweren aan het instrument met de zachte, zangerige toon.

Repertoire
Een dergelijk lange gebruiksperiode heeft uiteraard tot een divers repertoire geleid. Aanvankelijk worden instrumentale versies gespeeld van reeds bestaande (meerstemmige) liederen, maar gaandeweg ontwikkelt zich een idiomatisch repertoire; componisten gaan rekening houden met de technische mogelijkheden van het instrument. Er bestaan trouwens verschillende formaten van gamba’s. Combineer je die in een ‘consort’ (ensemble), dan krijg je een bereik van lage tot hoge tonen dat groter is dan wat je met een vocaal ensemble kan bereiken. De bekendste componisten die voor dergelijke ensembles schreven, waren William Byrd (1540-1623), Tobias Hume (1579-1645), Orlando Gibbons (1583-1625), John Jenkins (1592-1678), Christopher Simpson (ca. 1602/6-1669), en Matthew Locke (1621/3-1677).

John Jenkins werkte voornamelijk bij rijke adel, in Londen en in hun landhuizen. In het begin van de 17de eeuw musiceerde hij onder meer in de regio Norfolk, voor de Derham-familie in West Dereham en voor de L’Estrange-familie in Hunstanton. De twee families kenden elkaar goed, en Jenkins pendelde regelmatig tussen de twee landhuizen. Een vast loon had hij niet, maar “he accepted what they gave him”, schreef zijn leerling Roger North. In de periode 1633-1634 trad hij verschillende malen op aan het koninklijk hof, en daarna spendeerde hij opnieuw zijn tijd ‘at gentleman’s houses in the country’. Hij overleed op een gezegende leeftijd in het huis van Sir Philip Wodehouse in Kimberley, Norfolk. We kennen vandaag nog achthonderd van zijn composities, met de focus op muziek voor de viola da gamba. De twee werken die Wyers en Vandeveire spelen, zijn een perfect staaltje van Jenkins’ kunnen. De Pavan in a is een gestileerde langzame, statige dans. De compositie Divisions in C verwijst naar een typisch Engels genre dat gebaseerd is op een gelijknamig improvisatieprincipe dat ontstond in de 17de eeuw. Een reeds bestaande muzikale lijn, meestal een ‘ground’ (basfiguur), werd als basis gebruikt om er een nieuwe melodie op te improviseren. De lange noten van de ground werden als het ware verdeeld in kortere noten, en grote intervallen werden door kleinere intervallen opgevuld.

Het procedé van de division werd verheven tot een haast abstracte kunstvorm, waarin de componist zijn creativiteit kon etaleren en de muzikant zijn virtuositeit. Het is vooral Christopher Simpson die de beste leermethode heeft aangereikt in zijn The division-violist; or An introduction to the playing upon a ground (1659). Net als zijn collega en vriend John Jenkins diende Simpson bij verschillende adellijke families in Engeland, zoals bij William Cavendish, Earl of Newcastle en Sir Robert Bolles. De L’Estrange-familie duikt ook op in Simpsons biografie. Sir Roger L’Estrange prees Simpsons The division-violist als “one of the best tutors in the world” om de viola da gamba te leren spelen, en als “a work of exceeding use in all sorts of musick whatsoever.” In 1672, enkele jaren na Simpsons overlijden, eerde Matthew Locke zijn vriend als “a person whose memory is precious among good and knowing men, for his exemplary life and excellent skill.”
Zelf stond Locke ook bekend als een van de beste componisten van zijn generatie en was hij de favoriete componist van koning Charles II. Hij componeerde in elk genre van zijn tijd; van instrumentale consortmuziek, over religieuze anthems tot masques voor toneel, en hij waagde zich ook aan experimenten in de opera. Het merendeel van de suites componeerde hij wellicht tijdens de Commonwealth of England, het republikeinse bestuur van 1649 tot 1660, toen de interesse voor huiskamermuziek het grootst was. In de verschillende suites voor twee basgamba’s volgde hij een gelijkaardig stramien; twee fantasia’s worden gevolgd door een dansvorm. De fantasia is een vrije compositie, terwijl de Corant (in het geval van de Suite in d), een gestileerde dans is in een drieledig metrum.

Tobias Hume was een buitenbeentje tussen de muzikanten. Hij was in de eerste plaats een militair officier (hij diende voor het Zweedse en Russische leger), maar met een grote passie voor muziek. “My profession being, as my education hath beene, armes, the onely effeminate part of me, hath been musicke”, schreef hij over zichzelf. Loves farewell uit de bundel The First Part of Ayres, French, Pollish and others together … with pavines, galliards, and almaines (1605) is niet per se een verwijfd deuntje, maar toont alvast dat ook een soldaat een gevoelige en zangerige ziel kan hebben.

Dit project kwam tot stand dankzij de giften van vele muziekliefhebbers aan het ‘Steunfonds voor jonge Belgische artiesten’ van AMUZ. 

Programma
John Jenkins (1592-1678): Pavan in a

John Jenkins: Divisions in C

Christopher Simpson (1602/06-1669): Prelude

Christopher Simpson: Divisions in F

Tobias Hume (1579?-1645): Loves farewell

Matthew Locke (1621/23-1677):
Suite in d

Uitvoerders
Lies Wyers, viola da gamba & Pieter Vandeveire, viola da gamba