Er zijn ervaringen waarvoor taal te klein is. Verdriet is er daar één van. Je kunt proberen te beschrijven wat iemand verloren heeft, wanneer het gebeurde of
hoelang het geleden is, maar ergens onderweg verdwijnt waar het over zou moeten gaan. Een mens laat zich immers niet samenvatten in een paar zinnen en rouw al helemaal niet.
Ik werd door IMAGO MUNDI gevraagd om woorden te schrijven voor Tears into light. Dat klinkt eenvoudiger dan het is, want woorden schrijven over verlies betekent dat je voortdurend moet opletten dat je niet te snel spreekt. Verdriet verdraagt slecht de haast waarmee we er betekenis aan proberen te geven. We willen van verlies een verhaal maken met een begin en een einde, terwijl rouw zich daar weinig van aantrekt.
De gesprekken met bewoners van een woonzorg- en palliatief centrum waren belangrijk om de voorstelling grond te geven. Hun ervaringen gaven echter geen antwoord op de vraag hoe we met verlies moeten omgaan, maar maakten die vraag juist groter. Er waren herinneringen, kleine anekdotes, dingen die nog dagelijks werden gedaan, mensen die gemist werden. Er was het verleden, maar ook het zeer concrete heden: een kamer, een stoel, een lichaam dat verandert, een dag die gewoon begint en eindigt. Verlies gaat zelden alleen over het verleden. Het leeft verder in het heden en vaak op plaatsen waar je het niet verwacht.
Rouw heeft grote woorden: Afscheid. Gemis. Herinnering. Liefde. Dood. Maar het dagelijks leven kent een andere grammatica. Iemand die nog altijd automatisch twee kopjes koffie zet. Een naam die je bijna hardop zegt wanneer je thuiskomt. Een jas die nog aan de kapstok hangt. Een lied dat onverwacht ergens begint te spelen en een ruimte opent die je al jaren niet meer had betreden. Herinneringen zijn beelden uit het verleden, maar eveneens zijn het handelingen die weigeren te verdwijnen.
In Lachrimae van John Dowland – de muziek waaruit Tears into light vertrekt – zit verdriet dat zich niet opdringt. Er is geen medelijden. Ze beweegt. Ze ademt. Ze herhaalt zich en verandert. Is het niet wonderlijk dat een melodie eeuwen oud kan zijn en toch op een bepaald moment iets aanraken wat vandaag nog bestaat? Het is een van de vreemde eigenschappen van kunst: ze kan ouder zijn dan wij en toch precies op tijd komen.
In deze voorstelling komt oude muziek naast nieuwe composities, Armeense klanken, soefipoëzie en beeldend werk te staan. Verschillende tijden en tradities bestaan hierdoor naast elkaar en tonen kunst op haar best: ruimte maken voor dingen die niet noodzakelijk met elkaar verenigbaar zijn.
Ik heb tijdens het schrijven van de teksten, maar ook tijdens het schrijven van mijn boek Julian, vaak gedacht aan de grens van taal. Hoe schrijf je als kunstenaar over iemand die er niet meer is, zonder die persoon tot een personage te maken? Hoe schrijf je over afscheid zonder er een mooie scène van te maken?
Ik vertrouw steeds minder op grote verklaringen. Soms kan een zin beter iets openlaten. Een beeld hoeft niet uit te leggen wat het betekent. Een muziekstuk
hoeft nergens naartoe. Ook dat is een vorm van respect: niet alles onmiddellijk invullen.
Taal heeft bovendien een vreemde relatie met stilte. We denken vaak dat stilte het tegenovergestelde van spreken is, terwijl goede taal er juist plaats voor maakt. Een zin kan iets benoemen en tegelijk erkennen dat het benoemde nooit volledig in woorden zal passen. Dat vind ik interessant aan schrijven binnen een voorstelling waarin muziek en beeld al bestaan. Mijn woorden hoeven daar geen vertaling van te zijn. Ze hoeven niet te vertellen wat de muziek vertelt. Ze kunnen ernaast staan en een andere deur openen.
Want muziek kan iets wat taal niet kan. Ze kan terugkeren zonder zichzelf te herhalen. Ze kan een gevoel dragen zonder het een naam te geven. En toch heeft ook taal iets wat muziek niet heeft: woorden kunnen een specifieke herinnering vasthouden. Ze kunnen een naam noemen. Een zin kan iemand even
terugbrengen naar een plaats, een moment, een stem.
Daarin zit voor mij de waarde van woorden in een voorstelling over rouw. Niet omdat ze het verdriet kunnen verklaren, maar omdat ze het concreet kunnen
maken. Een leven bestaat uiteindelijk uit details. We herinneren ons de manier waarop iemand een kamer binnenkomt of iets zegt dat jaren later nog steeds
ergens in ons geheugen zit. Herinneren is daarom niet hetzelfde als bewaren. Bewaren klinkt te statisch, alsof we iets op een veilige plaats kunnen leggen en het daar intact blijft. Herinneren is eerder opnieuw tegenkomen. Waarbij het verleden mee verandert met degene die zich herinnert.
Ook hoop interesseert mij meer als beweging dan als belofte. We gebruiken het woord snel wanneer we over verlies spreken, alsof verdriet uiteindelijk ergens naartoe moet leiden. Maar hoop hoeft geen licht aan het einde van een tunnel te zijn. Ze kan veel kleiner zijn en zich manifesteren in de bereidheid om te blijven kijken naar wat er nog is, zonder te ontkennen wat er verdwenen is.
De titel Tears into light spreekt over een verandering, maar ik lees die niet als een opdracht. Tranen hoeven geen licht te worden. Verdriet hoeft zich niet nuttig te maken. Niet elke pijn hoeft uiteindelijk ergens goed voor te zijn. Soms is het voldoende dat er een plek bestaat waar verdriet mag bestaan zonder onmiddellijk gecorrigeerd te worden.
Daarom voelt kunst voor mij niet als een geneesmiddel tegen verlies. Ze maakt iemand niet beter en brengt niemand terug. Wat ze wel kan doen, is tijd creëren. Tijd waarin je niet hoeft op te lossen wat niet opgelost kan worden. Tijd om te luisteren naar een muziekstuk, naar een herinnering, naar iemand die vertelt over een leven dat bijna voorbij is. Tijd waarin het verleden even niet tegenover het heden staat, maar erin aanwezig kan zijn.
En misschien is dat genoeg. Dat iets wat verdwenen is, niet hoeft terug te keren om nog aanwezig te kunnen zijn.