Na de succesvolle editie van Laus Polyphoniae start AMUZ het concertseizoen op 8 oktober met Bachs indrukwekkende h-Moll-Messe, BWV 232. AMUZ nodigde hiervoor het Britse barokensemble Solomon’s Knot uit, dat wordt geprezen als “one of the UK’s most innovative and imaginative ensembles” (The Observer).
We gingen in gesprek met bas en artistiek leider Jonathan Sells over de unieke aanpak van Solomon’s Knot, Bach en de inbreng van zangers in een vocaal ensemble of koor.
Solomon’s Knot is een ensemble dat zonder dirigent werkt en waarvan alle zangers de muziek uit het hoofd zingen. Was dat vanaf het begin de intentie of hoe is dat zo gekomen?
We zochten naar een manier om de muziek en de gezongen teksten zo direct mogelijk over te brengen naar het publiek. Daarom stelden we ons als zangers voor het orkest op en zingen/spreken we het publiek als het ware direct toe. Dat we besloten om de muziek uit het hoofd te zingen, was eerder een gevolg, bijna een neveneffect van de keuze om zonder dirigent te werken. We ondervonden namelijk dat het eerder hinderlijk was om vanuit de partituur te zingen wanneer er geen dirigent voor de groep staat, omdat de zangers veel meer visueel contact met elkaar moeten maken om het geheel bij elkaar te houden en om elkaar te inspireren. Zonder partituur zingen voelde eigenlijk als een bevrijding, het is gemakkelijker en maakt de uitvoering van de muziek spontaner. We horen van ons publiek dat het zich erg betrokken voelt bij het concert, net dankzij die uitgesproken communicatie van de zangers naar het publiek, tussen de zangers onderling en tussen de zangers en het orkest.
In Bachpassies wordt een duidelijk verhaal verteld, dat maakt het waarschijnlijk gemakkelijker om contact te maken met het publiek. De h-Moll-Messe bestaat uit een Latijnse mistekst, met aria’s, duetten, fuga’s. Vereist dat werk dan een andere aanpak?
Voor mij zit er een duidelijke spanningsboog in de hele compositie, vanaf het pleidooi van het openings-Kyrie tot het laatste vers van het Agnus Dei: “Dona nobis pacem” (Geef ons vrede). Die boodschap is zeker ook vandaag, met alle conflicten in de wereld, meer dan actueel en wil ik verteld krijgen.
De muziek van Bach is zo goed geschreven dat hij in elk onderdeel de sfeer weet te vatten van de tekst die hij toonzet. In dat lange openingsdeel Kyrie eleison bijvoorbeeld weet hij een grote spanningsboog te creëren die helemaal past bij het pleidooi in de tekst (Heer, ontferm U over ons). En ook al begrijp je niet per se de Latijnse woorden, je voelt wel welke emotie eraan gekoppeld is. In de h-Moll-Messe hergebruikte Bach heel wat muziek uit enkele van zijn eerdere cantaten, iets wat hij wel vaker deed. Maar hij koos die muziek niet willekeurig, hij zocht naar de gepaste sfeer, de juiste emotie voor welbepaalde passages uit de Latijnse mistekst. De muziek voor het Osanna uit de mis recupereerde Bach van het openingskoor van zijn cantate Preise dein Glücke, gesegneter Sachsen, BWV 215, aanvankelijk geschreven op een heel andere tekst, maar wel met diezelfde emotie van blijdschap, opgewektheid die past bij de lofzang “Hosanna in den Hoge”. In die zin is het overbrengen van de emoties in de muziek van de h-Moll-Messe in wezen niet anders dan bij Bachs andere composities.
Eveneens speelt Bach hier met de afwisseling van nieuwe en oude stijl: veel van de duetten zijn gecomponeerd in de bijna galante stijl, die fris en modern moeten hebben geklonken, terwijl andere delen, zoals het Confiteor uit het Credo, zijn getoonzet als een hele strakke fuga, een voorbeeld van zeer strikt contrapunt. En hoewel de emotie van de tekst (Ik belijd één doopsel tot vergiffenis van de zonden) hier niet door middel van een bepaald affect wordt vertolkt, verwijst Bach – voor mij althans – naar een eeuwenoud ritueel van het geloof door ook net te kiezen voor een ‘oude’ muzikale vorm als een fuga.
U zong als bas jarenlang in het Monteverdi Choir, geleid door John Eliot Gardiner. In welke mate heeft dat of heeft hij uw visie op Bachs muziek vormgegeven? En waren er ook andere belangrijke invloeden voor uw benadering van Bachs muziek?
John Eliot Gardiner heeft zeker de grootste invloed gehad, zelfs al van voor ik in het Monteverdi Choir zong. Ik was tijdens mijn universiteitsjaren geabonneerd op de cd-reeks van Gardiners Bach Cantata Pilgrimage. (De Bach Cantata Pilgrimage was een legendarisch muziekproject in het jaar 2000 waarbij dirigent John Eliot Gardiner, het Monteverdi Choir en de English Baroque Soloists alle 198 overgeleverde kerkcantaten van Johann Sebastian Bach live uitvoerden, die erna op cd werden uitgegeven, n.v.d.r.) Ik keek elke keer weer uit naar de volgende cd die per post werd opgestuurd. De klank van het Monteverdi Choir en van de historische instrumenten waren een openbaring voor mij. Maar ook het beluisteren van de cantaten was een fantastische ontdekkingsreis. Later heb ik zelf negen jaar in het Monteverdi Choir onder leiding van Gardiner gezongen. Dat was een fascinerende leerschool: te ervaren hoe hij de muziek en klank opgebouwde en hoe hij een groep zangers kneedde tot een eigen, herkenbaar koorgeluid. Maar ik beluisterde en apprecieerde evengoed andere Bachvertolkers zoals Ton Koopman en Philippe Herreweghe, die een grote spiritualiteit aan de muziek weten te geven.
Tegenwoordig bent u dirigent van het Monteverdi Choir. Hoe verhoudt u zich tot beide benaderingen: het dirigeren van een koor en de manier waarop u met Solomon’s Knot werkt?
Ik voel me erg vereerd dat ik het Monteverdi Choir sinds vorig jaar mag leiden en een traditie van meer dan zestig jaar mag voortzetten. Maar een koor van 16 of 24 zangers dirigeren is iets helemaal anders dan wat we doen met Solomon’s Knot, waarbij een kern van acht solozangers ook een vocaal ensemble vormt. Ik ben gefascineerd door de dynamiek van een groep zangers, en hoe ze reageren wanneer de dirigent naar de achtergrond verdwijnt en er dus meer initiatief vanuit de groep moet komen. Ik ben ervan overtuigd dat de interactie en de aandacht van de zangers verscherpt wanneer ze loskomen van een dirigent. Persoonlijk vind ik dat zingen met een dirigent het risico inhoudt dat zangers passiever worden en – al dan niet bewust – hun eigen muzikaliteit terzijde schuiven. Met het Monteverdi Choir wil ik met dat gegeven aan de slag gaan, om de zangers meer verantwoordelijkheid te geven in een uitvoering.
Tegelijk is de werkwijze van Solomon’s Knot niet zomaar gebaseerd op een democratie waarbij elke uitvoerder volledig zijn eigen ding kan doen met een partituur als de h-Moll-Messe. In een groep van vijf mensen zal je zeven verschillende meningen terugvinden. Dat is niet echt werkbaar. Omdat de groep een basisvertrouwen heeft in mijn aanpak, vertrek ik bij de eerste repetitie vanuit een plan en een interpretatie. Maar dat plan is niet onwrikbaar; suggesties voor alternatieven proberen we uit, en in solo-aria’s hebben de zangers en instrumentalisten uiteraard een grote inbreng. Wat Solomon’s Knot an sich bijzonder maakt, denk ik, is dat élk van de zangers een solo-aria kan zingen op een hoogstaand artistiek niveau, maar evengoed kan versmelten met de stemmen van de andere zangers in de koorpassages, en dat hij/zij beide facetten met eenzelfde toewijding doet. Die bereidwilligheid en kwaliteiten van de zangers apprecieer ik in grote mate. Ik hoop dat het publiek op 8 oktober in AMUZ evenzeer zal genieten als ikzelf.