Home > Nieuws > Laus Polyphoniae > De Blijde Intredes van Luik herleven dankzij InAlto

Klokken, kanonnen en koren

De Blijde Intredes van Luik herleven dankzij InAlto

 

Triomfbogen, klokgelui, kanonschoten en muziek die de macht moesten laten klinken: de Blijde Intredes van de Luikse prins-bisschoppen waren zorgvuldig geënsceneerde spektakels. Tijdens Laus Polyphoniae blaast InAlto dit fascinerende hoofdstuk uit de Luikse muziekgeschiedenis met zijn indrukwekkende ceremonieën nieuw leven in. Artistiek leider Lambert Colson licht toe.

Hoe ontstond het idee om een project te wijden aan de Blijde Intredes in Luik? Hebt u een persoonlijke band met de stad, of werd u vooral geïnspireerd door haar rijke geschiedenis en erfgoed?
Het label Ricercar werkt momenteel aan een omvangrijke box die volledig aan Luik is gewijd. Verschillende artiesten werden door Jérôme Lejeune uitgenodigd om mee te werken. Mij stelde hij voor me te verdiepen in het oeuvre van Pierre Bonhomme, en dat sprak me om verschillende redenen meteen aan.

In de eerste plaats gaat het om polyfone muziek die nog stevig in de renaissancetraditie is geworteld, maar werd geschreven op een kantelmoment in de geschiedenis, waarop de muzikale taal volop in beweging was.

 

Daarnaast weten we dat Pierre Bonhomme behoorde tot een generatie Luikse componisten die dankzij een beurs in Rome konden studeren. Enkele jaren geleden verdiepten we ons voor onze cd Teatro spirituale al in de muziek van de Chiesa Nuova in Rome rond 1600. Ik wilde nu graag onderzoeken in welke mate Bonhomme iets van die uitzonderlijke artistieke dynamiek had meegekregen. Ik probeerde me als het ware in hem te verplaatsen en me voor te stellen hoe ingrijpend zijn verblijf in Rome moet zijn geweest: wat gebeurt er met een jonge componist wanneer hij plots wordt ondergedompeld in een wereld vol nieuwe ideeën?

Hoewel Jérôme Lejeune elk ensemble één componist wilde laten werken, voelde een puur monografisch programma voor mij nooit als de juiste keuze, zeker niet voor een concert. De muziek die we met InAlto brengen, is natuurlijk steeds losgemaakt van haar oorspronkelijke context, maar toch moet ze vandaag nog steeds een verhaal vertellen. De Blijde Intredes vormen daarvoor een ideaal vertrekpunt, bijna in de letterlijke betekenis van het woord: een aanleiding om een dramaturgie op te bouwen en een geschiedenis in muziek te vertellen. De weinige informatie die we hebben over hoe die plechtigheden precies verliepen, maakt dat er veel vrijheid is in de repertoirekeuze, zonder dat we de historische geloofwaardigheid uit het oog verliezen, natuurlijk. Bovendien bieden de Blijde Intredes een rijk muzikaal landschap: motetten, missen, madrigalen en instrumentale muziek … al die verschillende genres krijgen er een vanzelfsprekende plaats.

Mijn persoonlijke band met Luik loopt via mijn vrouw Alice. De familie Foccroulle komt uit Luik, we gaan er dus geregeld heen voor familiefeesten. Er is bovendien een leuke anekdote. Toen ik Alice leerde kennen, namen haar tantes me meteen op in de familie. Volgens hen was ik eigenlijk altijd al een Luikenaar geweest, zonder het zelf te beseffen. Lambert is tenslotte de patroonheilige van de stad en gaf zijn naam aan de kathedraal. En vlak bij de opera bevindt zich de bekende slagerij Chez Colson – Tout est bon. De combinatie van Lambert en Colson is dus onmiskenbaar Luiks!

Waar vond u het muzikale bronmateriaal? Hebt u zeldzame drukken of handschriften ontdekt?
Vrijwel alles op het programma moest eerst opnieuw worden uitgegeven. We hebben de gehele motettencollectie van Pierre Bonhomme naar moderne partituur overgezet. Je kan onmogelijk een verantwoorde keuze maken als je slechts een deel van het repertoire kent; ik wilde dus eerst een volledig overzicht van zijn oeuvre krijgen.

Daarnaast ben ik op zoek gegaan naar alles wat verband hield met de Blijde Intredes en met de muziekcollecties van de prins-bisschoppen. Zo belandde ik alleen bij Bonhomme, maar ook bij componisten als Jean de Castro en anderen.

Behoort dit repertoire nog tot de renaissance of kondigt het de barok al aan?
Hoewel een groot deel van deze muziek pas aan het begin van de 17de eeuw werd gepubliceerd, is haar muzikale taal nog duidelijk die van de renaissance.

Onze interpretatie kijkt echter al vooruit naar de vroege barok. We laten instrumenten de zangstemmen verdubbelen, gebruiken orgel en benaderen de muziek alsof een vroege vorm van de ‘stile concertato’ zich al aankondigt: met een levendige dialoog tussen stemmen en instrumenten. Ook die verdubbelingen behandelen we expressief, steeds in dienst van de tekst. Dat geldt eveneens voor de manier waarop we cadensen versieren en ornamenteren.

Zijn er werken die u bijzonder raken, door hun opbouw of door de emoties die ze oproepen?
Een werk dat me zeer dierbaar is, is Hortus conclusus van Pierre Bonhomme. De tekst uit het Hooglied, met zijn beelden van de besloten tuin, de verzegelde bron en een geïdealiseerde natuur, bezit een buitengewone poëtische kracht.

Binnen onze dramaturgie neemt dit werk een centrale plaats in. Het verwijst tegelijk naar de maagd Maria, naar de ideale stad en naar het bruiloftsmotief, dat als een rode draad door de symboliek van de Blijde Intredes loopt. Wat me vooral treft, is hoe Bonhomme erin slaagt een sfeer van verstilling en contemplatie op te roepen binnen een uiterst verfijnde polyfone schrijfwijze. Achter de schijnbare soberheid van de renaissancetaal schuilt een uitzonderlijke gevoeligheid voor de betekenis van de tekst.

Ook het Te Deum van Jean Guyot fascineert me enorm. Alleen al door zijn omvang en ceremoniële allure maakt het diepe indruk. Binnen een project rond de Blijde Intredes van de prins-bisschoppen krijgt dit werk bijna vanzelf een belangrijke plaats. Het ademt de plechtigheid, de luister en de grandeur die we met zulke officiële ontvangsten en publieke vieringen verbinden. Maar wat het voor mij nog ontroerender maakt, is de manier waarop het Te Deum bewaard is gebleven. Het is overgeleverd in een handschrift dat Johannes de Fossa, een leerling van Jean Guyot, eigenhandig heeft gekopieerd. Daardoor krijg je haast het gevoel rechtstreeks getuige te zijn van de overdracht van kennis tussen meester en leerling. In een tijd waarin muziekdruk al bestond, maar handgeschreven kopieën nog steeds essentieel waren voor de verspreiding van muziek, vertelt zo’n bron ook een verhaal van bewondering voor een leermeester, traditie en muzikaal erfgoed.

Achter deze werken tekent zich bovendien een netwerk van componisten en musici af die met elkaar verbonden waren. De Fossa behoort tot een generatie die opkeek naar Orlandus Lassus en het hof van München, terwijl Bonhomme een volgende generatie vertegenwoordigt, gevormd door zijn verblijf in Rome.
Zo groeit Guyots Te Deum uit tot een muzikaal monument in het hart van de Luikse muziekgeschiedenis: een referentiepunt waaraan latere generaties zich bleven spiegelen.

 

Naar het concert

InAlto

25 augustus 2026 20:00