Sommige instrumenten verdwijnen niet omdat ze verstommen, maar omdat hun klank zich moeilijk laat temmen. Denk aan het serpent. Of aan de cornetto, ook wel zink genoemd. Alleen al hun namen prikkelen de verbeelding. Ze lijken thuis te horen in een rariteitenkabinet, en toch vormden ze ooit het kloppende hart van de muzikale praktijk in kerken en steden, van Frankrijk tot de Lage Landen. Tijdens Les voyages d’Orphée wekt Les Meslanges onder leiding van Thomas Van Essen hun klanken opnieuw tot leven.
Het serpent trekt meteen de aandacht. Het kronkelt als een slang rond het lichaam van de speler: een lange, gebogen, houten buis van meer dan twee meter, overtrokken met leer. De speler zet de lippen op een mondstuk zoals een koperblazer, en blaast het instrument tot leven. De klank komt van diep: hij is donker, dragend, licht ruw aan de rand. Hij vult de ruimte en geeft de zang een fundament dat tegelijk stevig is en beweeglijk blijft.
Het instrument ontstond rond 1590 in Frankrijk, in een kerkelijke context die sterk verbonden is met de hervormingen van het muziekleven na het Concilie van Trente. In kathedralen ondersteunt het de gregoriaanse zang en verbindt het de stemmen van binnenuit. Die praktijk blijft niet beperkt tot Frankrijk. Ook in de Zuidelijke Nederlanden vindt het serpent zijn weg naar kerken en stadskapellen. In de 18de en 19de eeuw bouwen instrumentenmakers in steden als Brussel, Gent, Mechelen en Lier eigen varianten, aangepast aan de lokale speelpraktijken. Het instrument maakt zo deel uit van een levendige, ambachtelijke traditie, waarin bouwers inspelen op de concrete noden van zangers en ensembles.
Wie vandaag luistert, herkent iets van het timbre van het serpent in instrumenten als de tuba of het eufonium. Toch klinkt het serpent anders: minder egaal, minder voorspelbaar. De speler moet voortdurend bijsturen met de lippen en de adem om de toon te vormen. Precies dat maakt het spel intens en fysiek, maar ook kwetsbaar. In de 19de eeuw winnen nieuwe koperinstrumenten met ventielen terrein, zoals de ophicleïde en later de tuba. Ze spelen zuiverder, krachtiger, betrouwbaarder in steeds grotere zalen. Het serpent verdwijnt geleidelijk aan uit het muziekleven. Niet zonder controverse: sommige luisteraars missen zijn warme, bijna vocale klank, anderen nemen opgelucht afscheid van een instrument dat volgens critici soms klonk als het balken van een “verkouden ezel”.
Waar het serpent de basis legt, beweegt de cornetto zich nog dichter bij de stem. Dit gebogen houten instrument, met vingergaten zoals bij een houtblazer, maar aangeblazen via een klein mondstuk, vraagt een uitzonderlijke beheersing van de lippen. De speler vormt elke toon actief, van binnenuit. Wat u hoort, ontstaat precies op de grens van adem en materiaal en klinkt helder, soepel, bijna menselijk, met een directheid die geen enkel modern instrument helemaal evenaart.
Vanaf het einde van de 15de eeuw klinkt de cornetto in heel Europa. Hij duikt op in Italiaanse stadstaten, aan Duitse hoven en in de rijke muzikale centra van de Lage Landen. In kerken en stadskapellen ondersteunt hij de zang of verdubbelt hij de stemmen, vaak samen met trombones. Zijn klank mengt zich zo nauw met de menselijke stem, dat hij een sleutelrol speelt in de uitvoering van polyfone muziek.
Ook componisten uit onze streken schrijven met die klank in gedachten. In het werk van Orlandus Lassus, actief aan het Beierse hof van München, maar gevormd in de Franco-Vlaamse traditie, horen we een muzikaal weefsel dat uitnodigt tot precies die versmelting van stemmen en instrumenten. Cornettospelers kleuren die lijnen, voegen versieringen toe, sturen de frasering. De muziek gaat niet alleen klinken, ze begint te ademen. Ook in de Franse context, bijvoorbeeld bij Jehan Titelouze, blijft die praktijk voelbaar: een polyfonie die geworteld is in de stem, maar openstaat voor instrumentale uitbreiding.
Toch verandert ook hier het luisterideaal. Vanaf de late 17de eeuw nemen strijkinstrumenten het over. Violisten realiseren een grotere klankprojectie, vullen grotere ruimten en ontwikkelen een virtuositeit die beter aansluit bij de nieuwe muzikale smaken. Hun klank is homogener, hun techniek stabieler. De cornetto, afhankelijk van een uiterst precieze en fragiele lipcontrole, verliest terrein. Hij verdwijnt uit het orkest en uit de kerkpraktijk. Wat overblijft, is de herinnering aan een instrument dat dichter bij de stem stond dan eender welk ander en dat precies daarom zo moeilijk te vervangen blijkt.
Precies die geschiedenis hoort u in het programma dat Les Meslanges brengt tijdens Laus Polyphoniae. Niet als een lineair verhaal van vooruitgang, maar als een verschuiving in luisteren en spelen. Wat ooit ideaal klonk in een kathedraal, maakt plaats voor een ander soort helderheid en kracht. Les Meslanges laat die overgang horen in de praktijk. Zangers en instrumentalisten wisselen elkaar af, spiegelen elkaar, nemen elkaars lijnen over. U hoort hoe een motet verandert wanneer een serpent de bas draagt, hoe de klank zich opent wanneer een cornetto de stemmen verdubbelt, hoe adem en hout en koper in elkaar grijpen.
Achter de bijzondere instrumenten schuilt een Europa in beweging. Componisten reizen tussen de Lage Landen, Frankrijk en Duitsland. Drukken circuleren, stijlen vermengen zich, praktijken worden aangepast aan nieuwe ruimten en nieuw publiek. De muziek van Titelouze staat precies op dat kantelpunt: geworteld in de Franco-Vlaamse polyfonie, maar gericht op een directere, expressieve taal. Dit concert laat u niet alleen luisteren naar zeldzame instrumenten. Het laat u ervaren hoe muziek ademt wanneer klank nog rechtstreeks uit het lichaam komt. Ruw, warm, soms weerbarstig, maar altijd levend.
Waldo Geuns