Brussel is vandaag een van de meest kosmopolitische steden ter wereld. Omstreeks 1600 was Brussel kleiner dan de stad die we nu kennen, maar ze was eveneens een belangrijk politiek centrum met een internationaal samengestelde bevolking. Vele Britse katholieken die in hun thuisland op weerstand botsten, vonden hun toevlucht aan de oevers van de Zenne. Richard Dering was een van hen. Na enkele omzwervingen op het Europese vasteland, koos hij van 1617 tot 1620 Brussel als verblijfplaats. Het Belgische ensemble Transports Publics stelt Derings oeuvre voor tijdens Laus Polyphoniae. Artistiek leider Thomas Baeté heeft zich in Derings werk verdiept.
Hoe bent u bij de muziek van Richard Dering terechtgekomen?
We zijn met Transports Publics al een tijdje bezig om een muzikale kaart van de Lage Landen in de 17de eeuw op te maken. De stukjes van de puzzel beginnen meer en meer in elkaar te passen. Zo hebben we al een project uitgewerkt rond Anthony Poole, een Engelse viola-da-gambaspeler en jezuïet die in Sint-Omaars werkte. We hebben ook concerten gegeven met muziek die werd gespeeld bij de familie Duarte in Antwerpen. En rond Bruggeling Carolus Hacquart, die dan weer in Engeland werkte. Organist John Bull werkte aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen en in Brussel werkten Peter Philips en Daniel Norcombe aan het Brusselse paleis op de Coudenberg, respectievelijk van 1597 tot 1628 en van 1602 tot 1653. Richard Dering werkte niet voor het paleis, maar was organist voor een klooster van Engelse benedictinessen dat zich naast de kathedraal bevond. Er zijn geen specifieke bronnen die het aantonen, maar ik ga ervan uit dat hij de andere Engelse muzikanten kende. Ze werkten tenslotte op slechts honderden meters van elkaar.
Hebt u obscure archiefbronnen moeten raadplegen om de muziek van Dering te ontdekken?
Er zijn in Engeland manuscripten bewaard met muziek van Dering, maar ondertussen is een groot deel van zijn oeuvre toch al in historische of moderne druk verschenen. Zijn Fantasia’s voor gambaconsort circuleren al een tijd in het milieu van de viola-da-gambaspelers. Als gambaspeler was ik al een tijd vertrouwd met dat repertoire. Later heb ik Derings motetten leren kennen, de vijf- en zesstemmige motetten zijn destijds al in Antwerpen door Phalesius uitgegeven. Dat waren dus commerciële producten, wat betekent dat mensen thuis die motetten hebben uitgevoerd als blijk van een persoonlijke devotie. Dat is de insteek voor het concert tijdens Laus Polyphoniae; Derings muziek die in een kleinere setting werd uitgevoerd door zangers en instrumentalisten.
Hoe zou u Derings motetten omschrijven?
Ze zijn duidelijk beïnvloed door de madrigaalstijl, met snelle wisselingen in gevoelens. Tijdens Laus Polyphoniae zullen we de motetten combineren met madrigalen en instrumentale werken van Dering. Ik vind het echt bijzondere muziek. De motetten And the king was moved en Contristatus est rex David zijn gelinkt aan de onverwachte dood van kroonprins Henry Frederick, prins van Wales, die op 18-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van buiktyfus. Net als koning David, die de dood van zijn zoon Absalom beweent, rouwde de Engelse koning Jacobus I om zijn jongste zoon. Derings werken zijn relatief kort, maar uitermate krachtig. Ook zijn madrigalen zijn heel effectvol. In het Duo Seraphim hoor je duidelijk dat hij ook met de muziek van Italianen als Claudio Monteverdi vertrouwd was. Hij schrijft misschien minder gedurfd dan Monteverdi, maar hij bezit een prachtige beheersing van het contrapunt, wat zijn werk uniek maakt.
Frederic Delmotte