Home > Nieuws > AMUZ > De viola da gamba in Duitsland: een gesprek met Lucile Boulanger

De viola da gamba in Duitsland: een gesprek met Lucile Boulanger

 

“Lucile Boulanger bevrijdt zich van de tirannie van het uurwerk en de verwachtingen, en neemt ons mee naar een tijd waarin alleen een gracieus kippenvel en de gave van verwondering tellen.” Het Franse tijdschrift Diapason is bijzonder lovend voor de landgenote. Boulanger wordt niet enkel door de pers, maar ook door muziekliefhebbers bejubeld voor haar interpretatie van het repertoire voor de viola da gamba. In VIOLA DA GAMBAinPRIMETIME stelt ze de fascinerende Duitse muziek voor het instrument aan ons voor.

Kunnen we spreken van een Duitse school of stijl voor de viola da gamba, met specifieke kenmerken, in vergelijking met een Franse school?

Absoluut, en er zijn eigenlijk meerdere Duitse stijlen, naargelang van de periode. Over de viola da gamba in de 17de eeuw weten we niet zo heel veel, aangezien er weinig repertoire is overgeleverd. Wel is zeker dat er heel veel repertoire op de viola da gamba werd gespeeld, dat niet specifiek voor het instrument was gecomponeerd. Orgelmuziek werd bijvoorbeeld door gambisten uitgevoerd. Het transcriberen van muziek was een wijdverspreide praktijk, net zoals het improviseren. Je kan eigenlijk ook niet echt spreken van een letterlijke transcriptie. Muzikanten gingen op hun eigen manier aan de slag met reeds bestaande muziek en hielden daarbij rekening met de mogelijkheden van hun instrument. De overgeleverde muziek draagt duidelijk de sporen van de improvisatiepraktijk, wat in de Duitse traditie ook de stylus fantasticus wordt genoemd. Er zijn lange, soms echt gekke, virtuoze passages die niet in een vastomlijnd kader passen.

Hoe verhoudt de Franse muziek zich tot dat repertoire?

Franse muziek is meer bescheiden, weliswaar met veel verfijnde versieringen en details. Het Franse repertoire voor de viola da gamba is nauw verbonden met de dansmuziek; hier is dus wél sprake van een vastomlijnd kader, volgens de verschillende danspassen.
In de Duitse muziek van de 18de eeuw zien we een synthese van verschillende stijlen ontstaan, waaronder de Franse. Duitse componisten adopteerden de Franse dansmuziek perfect in hun eigen werk. De muziek van Johann Sebastian Bach is daar een prachtig voorbeeld van. Bach heeft drie sonaten gecomponeerd voor viola da gamba met klavecimbel. Samen met Benjamin Alard zal ik de tweede sonate spelen, die misschien wel de meest Franse is van de drie.

Naast de muziek van J.S. Bach zal u ook werk uitvoeren van Carl Philipp Emanuel Bach, een componist die nog te vaak in de schaduw van zijn vader staat.

Carl Philipp Emanuel is een bijzondere figuur, en bij hem zien we ook een unieke synthese van verschillende periodes. Je hebt de barok, maar tegelijk hoor je in zijn muziek de galante stijl en het classicisme. Het fascinerende is dat hij met zijn lange, lyrische frases bovendien de romantiek aankondigt. Zijn werk ontbreekt nog te vaak op de pupiters van muzikanten.

Zijn er ook verschillen in de bouw van de viola da gamba?

Er zijn heel veel verschillen. In tegenstelling tot de viool, is de viola da gamba niet gestandaardiseerd. Voor de violen vonden bouwers vrij snel een optimale vorm, vooral dankzij het werk van Stradivarius, dat door velen werd geïmiteerd.
De familie van de viola da gamba is om te beginnen erg groot, van het lage basinstrument tot het hoogste discantinstrument, met vele registers daartussenin. De afmetingen zijn verschillend, de proporties, de bouw van de hals, en zoveel meer. Er zijn gamba’s met afhangende schouders, andere hebben dan weer meer ronde schouders. Zelf heb ik een instrument dat gekopieerd is naar een origineel van de Duitse bouwer Joachim Tielke. Hij maakte bijzondere instrumenten met een gewelfd achterblad van de klankkast. De meeste viola da gamba’s hebben een plat achterblad.

Een enorme variatie dus aan stijlen én instrumenten! Dat moet een grote uitdaging betekenen voor de gambisten van vandaag.

Het is best grappig dat we vaak worden beschouwd als musici die met iets heel specifieks bezig zijn, alsof we specialisten zouden zijn in een niche. Maar het tegendeel is waar. Het repertoire strekt zich uit over meerdere eeuwen – van de vroege renaissance tot in de 18de eeuw – over meerdere landen in Europa. Ik vergelijk de gamba soms met een ‘vélo tout terrain’; een fiets die op alle terreinen inzetbaar moet zijn. Dat is onze dagelijkse praktijk: de ene dag speel ik Engelse muziek uit de 17de eeuw, de week daarna staan dan weer concerten met 18de-eeuws Frans repertoire gepland.

U heeft de sonaten van Bach reeds in 2011 opgenomen. Kijkt u nu met een andere blik naar die werken?

Ik zou niet van een radicale verandering spreken, eerder van een verdieping. Ik heb helemaal geen spijt dat ik de werken op jonge leeftijd heb opgenomen. Ik was 24 jaar, we waren totaal onbekend en we wilden ons niet op onvertrouwde paden begeven, en Bach is nu eenmaal geen onbekende. We hadden wel ontzettend lang samen gerepeteerd, als student heb je veel meer tijd om je de muziek eigen te maken. Na al die jaren ben ik er echter wel van overtuigd dat Bachs sonaten een vorm van polyfone kamermuziek zijn. Het zijn geen solowerken voor de viola da gamba met begeleiding door het klavecimbel, het zijn eigenlijk trio’s. De rechterhand van het klavecimbel speelt de tweede stem, en de linkerhand is dan de derde stem, of de basso continuo. Ik moet dus niet alleen mijn eigen partij kennen, maar ook de twee partijen van het klavecimbel.

Naar het concert

Lucile Boulanger & Benjamin Alard

06 februari 2026 20:00