The Breathtaking Collective en Cappella Mariana nodigen u uit om het Milaan van de vroege 17de eeuw te ontdekken, waar de canzon-motetti bloeiden. Beeld u muzikanten en zangers van weleer in, terwijl ze tussen de kaarsen en perkamenten repeteren. Luister mee naar hun gesprek, alsof u midden in de repetitieruimte staat.
Het is een warme namiddag in Milaan, ergens rond het jaar 1620. In een kloosterruimte vlak bij de basiliek van Sant’Ambrogio staan stoelen en lessenaren klaar. Aan één kant van de ruimte oefenen de zangers van het kapittel; aan de andere kant warmen de instrumentalisten hun vingers op en klinkt het gestommel van instrumentenkoffers: de cornetto, de trombones, de viool en de violone, de viola da gamba’s, de teorbe, het klavecimbel en de orgelpositieven wachten ongeduldig op hun beurt.
Twee muzikanten raken in gesprek over de werken op het programma. Bartolomeo, een jonge tenor met een scherp gevoel voor ironie, komt net van de kathedraal. Lodovico, violist en leerling van de beroemde Francesco Rognoni aan de Academie van Marco Maria Arese, heeft zijn instrument al onder de kin. Wat begint als wat plagerij tussen stem en snaar, groeit uit tot een levendig gesprek over een nieuw genre dat heel Milaan bezighoudt: dat van de canzon-motetti.
Bartolomeo: “Een stevig begin van het programma, dat achtstemmige motet Assumpta est Maria van Giovanni Paolo Cima! Ik ben mijn stem al kwijt nog vóór we goed begonnen zijn.”
Lodovico: “Stel je niet aan, jullie zangers hebben altijd een tekst om op terug te vallen. Wij instrumentalisten moeten al het werk doen zonder woorden. Cima is trouwens organist in Santa Maria presso San Celso. Hij heeft de vingers van een spin, zeggen ze. Geen wonder dat zijn muziek soms meer naar een ricercare ruikt dan naar een vroom gebed.”
Bartolomeo: “Dat verklaart het! Ik vroeg me al af: wie schrijft er zulke echo-effecten in een motet? Hij denkt dus in orgelregisters. Ach, componisten … ze vergeten soms wat onze longen aankunnen.”
Lodovico: “En toch! Hoor je hoe modern hij is? In zijn bundel van 1610 vind je al een echte Sonata a tre. De Venetianen zien groen van jaloezie. Maar laten we eerlijk zijn: het spannendste in dit programma zijn niet de gewone motetten, maar die merkwaardige canzon-motetti.”
Bartolomeo: “Inderdaad! Francesco Rognoni’s O Rex gloriae bijvoorbeeld: wij zetten een plechtig motet in, en jullie instrumenten beginnen er plots dwars doorheen te spelen. Alsof we midden in een processie zijn en jullie proberen ons te overstemmen.”
Lodovico: “Niet overstemmen, beste vriend, maar aanvullen! Francesco weet hoe je stemmen en instrumenten kan laten flirten. Vergeet niet: hij is een van onze beste vioolvirtuozen. In zijn canzon-motetti laat hij ruimte voor jullie woorden. Het is een gesprek, geen dispuut.”
Bartolomeo: “Hij kan ook aardig over de liefde schrijven. Luister maar naar zijn Petrarca-madrigalen, Intenerite voi lagrime mie en Or che’l mio vago scoglio. Het ene moment tranen, het andere smachtende liefdesretoriek. Je vraagt je af of hij meer tijd doorbracht met zijn viool of met zijn muze.”
Lodovico: “Ik kwam onlangs zijn broer Giovanni Domenico nog tegen. Minder flamboyant dan Francesco, maar wat kan die man schrijven. Weet je dat hij sinds vorig jaar kapelmeester is van de San Sepolcro én het hertogelijk paleis? Hoe hij in zijn Quemadmodum desiderat spanning opbouwt tussen koor en instrumenten, is een huzarenstukje. En vergeet niet zijn La Niguarda, een pure canzona. Wij muzikanten leven op bij zulke stukken: strak, helder, dansend, maar met een vleugje mysterie.”
Bartolomeo: “En dan is er Agostino Soderini, wat een man! Organist bij de Lateraanse nonnen en tóch componeert hij een kolossaal Ipse sum desponsata voor negen stemmen. Zouden die nonnen dat ooit hebben gezongen? Of had hij gewoon zin om zijn Milanese adellijke vriendjes te imponeren? Een leuk werk voor ons om uit te voeren, hé. De partijen tussen de zangers en de instrumentalisten wisselen voortdurend af!”
Lodovico: “Hij hoort bij de kringen van Luca Francesco Brivio, die edelman die zo graag concerten bij hem thuis organiseert. Daar kan hij zijn nieuwe canzon-motetti uitproberen nog vóór ze gedrukt zijn.”
Bartolomeo: “De ontdekking van formaat voor mij is toch wel de muziek van Giuseppe Gallo. Ik ben onder de indruk van zijn Veni in hortum meum en zijn Magnificat a 9 in forma di canzon-mottetto. Ik hou van zijn durf. Heel veel imitatieve polyfonie en interactie tussen de stemmen en instrumenten. Wie een Magnificat in zo’n nieuwe vorm giet, wil worden gehoord.”
Lodovico: “Het is toch wel fantastisch dat wij dat hier in Milaan mogen meemaken. En dat ondanks die Spanjaarden die het hier voor het zeggen hebben. We zijn dan misschien onze politieke glorie verloren, maar op het vlak van muziek hebben we toch veel te danken aan aartsbisschop Federico Borromeo. Men heeft het altijd over Venetië, maar sinds de laatste pestgolven in 1576 zijn we hier toch maar hele nieuwe genres aan het uitproberen. Zo zie je maar: zelfs ellende kan creativiteit voeden.”
Bartolomeo: “Of misschien zijn de canzon-motetti gewoon ons medicijn tegen de zwaarmoedigheid. Want zeg nu zelf: wat is er vrolijker dan een stem en een instrument die eerst kibbelen en dan toch eindigen in harmonie? Ik zie het publiek al voor me. Eerst zullen ze de wenkbrauwen fronsen: “Wat gebeurt hier?” En daarna glimlachen ze, alsof ze zelf meezingen. Een beetje zoals jij en ik: verschillende werelden, maar uiteindelijk één in de muziek.”
Lodovico: “Dat klopt, vriend, laat ons dus maar snel repeteren.”
Bartolomeo: “Afgesproken. Maar één vraagje: als we straks de finale inzetten, beloof je dan niet nóg meer noten te spelen dan er al staan?”
Lodovico: “Geen zorgen. Ik speel er precies zoveel als nodig om jou te laten schitteren.”
Bartolomeo: “Aha! Dan is het doel van de canzon-motetti bereikt: geen strijd, maar samenzang. Laat het publiek maar komen.”
Waldo Geuns