In de kleine lettertjes van het contract dat AMUZ met u, muziekliefhebber, voor dit concert sloot, staat: een concert gewijd aan de muziek van Estêvão Lopes Morago. En zo zal geschieden. Maar het verhaal dat Officium Ensemble op dinsdag 25 augustus zal vertellen, is groter dan dat van de muziek van Morago alleen. Dat is ook het mooie aan muziek: als je even uitzoomt, zie je hoe verschillende historische verhalen elkaar precies op het juiste moment grijpen. Zoals tandwielen die afzonderlijk draaien, elk op hun eigen snelheid, tot ze plots in elkaar klikken en samen iets in beweging zetten. Het verhaal van de Portugese polyfonie is ook het verhaal van culturele periferie, de circulatie van ideeën, vergeten erfgoed en muzikale modernisering.
Zoals het zonlicht in Portugal anders valt – de Atlantische zeelucht maakt het zachter, verfijnder – klinkt de polyfonie er ook anders. Pedro Teixeira, artistiek leider van Officium Ensemble, vertelt dat luisteraars hem vaak aanspreken op iets wat moeilijk te benoemen valt: “een warmte, een passie” die wordt gevoeld, anders dan bij de Spaanse of Franco-Vlaamse polyfonie. Dat heeft een reden. “Veel onderzoekers zeggen,” al is dat misschien een wat verouderde visie, voegt Teixeira er onmiddellijk aan toe, “dat de polyfonie in Portugal historisch gezien iets later ontstond dan in de rest van Europa. Er zit vijftig jaar tussen de hoogbloei van de polyfonie en het moment waarop Portugal de traditie oppikt.” Die achterstand werd een voordeel: Portugese polyfonisten hadden toegang tot een halve eeuw aan voorbeelden en een bredere waaier aan invloeden. “Dat hoor je,” zegt Teixeira, “in de muziek van Manuel Cardoso, met zijn ongewone akkoorden die de harmonie verder oprekken dan da Palestrina ooit deed.” Een uitloper van iets wat elders in Europa al in de lucht hing – een beweging die langzaam op weg was naar de stijl van Monteverdi.
Een ander verschil zit in het ritme – of liever: in hoe componisten ritme inzetten om een idee uit te drukken. “Als teksten vreugde of geluk uitdrukken, dan wordt de Spaanse muziek vaak ritmischer. In de Portugese muziek gebeurt dat opvallend minder.” Teixeira werpt een blik op het programma: “De muziek van de Brito zit vol levendige, ritmische momenten. Als de woorden vreugdevoller worden, volgt zijn muziek in ritme. Dat hoor je veel minder bij Cardoso – maar de Brito trok na zijn studies naar Spanje, eerst naar Badajoz, daarna naar Málaga. Componisten die reizen, absorberen wat ze zien en horen.”
Muziek reisde in de eerste plaats via mensen. Maar wat de Portugese polyfonie typeert, is de voortdurende circulatie van musici die vaak in Évora waren opgeleid. “Évora was het belangrijkste centrum”, antwoordt Teixeira wanneer hij wordt gevraagd om een beeld te schetsen van de Portugese muzikale wereld op dat moment. “Alle componisten die we tijdens het concert uitvoeren, studeerden in Évora. En vaak kenden ze elkaar zelfs als leraar en leerling.” Dankzij haar kathedraal groeide de stad uit tot een belangrijk centrum voor de opleiding van koorknapen en de ontwikkeling van kerkmuziek. Évora bracht enkele van de grootste namen van de Portugese renaissancepolyfonie voort, zoals Duarte Lobo, Estêvão de Brito, Estêvão Lopes Morago, Filipe de Magalhães en Manuel Cardoso.
Beroemd in Londen, vergeten in Lissabon
Dat hun muziek überhaupt opnieuw te horen is, was niet vanzelfsprekend. Want lange tijd lag die te verstoffen. “Mensen houden nu eenmaal van nieuwe dingen,” vertelt Teixeira, “dus het oude werd langzamerhand opzijgeschoven. Tot men het vergeten was.” Daar kwam bij dat Portugal in de 20ste eeuw nauwelijks musicologisch onderzoek kende. En dat onder de dictatuur collectieve en culturele bewegingen jarenlang in de kiem werden gesmoord. Terwijl de oude muziek elders in Europa in de jaren 1970 een revival beleefde, stond Portugal zo goed als met lege handen. Pas in de jaren 1960 gaf de Gulbenkian Foundation in Lissabon een eerste aanzet door onderzoek te financieren, waardoor moderne transcripties mogelijk waren, maar professionele ensembles lieten nog decennialang op zich wachten. De eerste vormden zich voorzichtig in de jaren 1980 en 1990. Officium Ensemble werd opgericht in 2001 en was zelfs toen nog een van de vocale pioniers.
Die stilte kleurt ook hoe Officium Ensemble deze muziek brengt. Als Teixeira het heeft over de kwetsbaarheid van zangers op het podium, brengt hij het Audivi vocem van Duarte Lobo ter sprake. Muziek die de jarenlange vergetelheid plots een loodzwaar gezicht geeft. Lobo’s Audivi vocem was in de 19de eeuw zo bijzonder beroemd in Groot-Brittannië, dat niet alleen verenigingen zoals de Madrigal Society het regelmatig uitvoerden, maar dat het zelfs Britse onderzoekers deed afreizen naar de Portugese kathedraalarchieven. Terwijl het musicologische onderzoek aan de Britse kant van het Kanaal al volop liep, wist men in Portugal nauwelijks wie Duarte Lobo was. Een bittere ironie.
Klinkende oogst
“Maar de catalogi zijn ondertussen grotendeels bijgewerkt. Van wat er bewaard is gebleven aan de kathedraal van Évora, een van de rijkste muziekarchieven, bestaat vandaag een zo goed als volledig overzicht.” Inventariseren is één ding, transcriberen een heel ander. Veel muziek wacht dus nog steeds op iemand die haar van het manuscript naar de notenbalk vertaalt. Een taak die vaak studenten toevalt, en Teixeira was ooit zelf een van die studenten. Zijn concert met Officium Ensemble mogen we dan ook gerust interpreteren als een klinkende oogst van al het wetenschappelijke werk dat de laatste decennia werd ondernomen. Als luisteraar wordt u getrakteerd op de hedendaagse première van werken van Morago: Ecce vidimus, Missa ferialis, Benedicamus Domino, Gloria, laus et honor en De lamentatione. Hun gedwongen rust is nu voorbij.
De muziek van Morago – die werd geboren rond 1575 in Vallecas, vlakbij Madrid, maar vanaf zijn acht jaar werd gevormd door Évora – vormt de ruggengraat van dit concert. Naast de herontdekte werken schitteren ook Morago’s motetten Caligaverunt oculi mei en Seniores populi, voorbeelden van de meerkorige praktijk die in Portugal bloeide naast andere Europese tradities. “Je hoort twee koren die elkaar zoeken, beantwoorden, en uiteindelijk vinden. Dat is het moment waarop de muziek je grijpt.”
Nergens anders zo
Teixeira zorgt met Manuel de Tavares’ Surge propera voor een einde dat u als luisteraar beklijft. ‘Sta op, mijn geliefde’ is een helder en stralend werk, gebaseerd op het Hooglied en bijna sensueel. “Stilistisch wijst het al voorzichtig vooruit, naar een modernere esthetiek die elders in Europa al in de lucht hing.” Maar lang voor we nog maar aan applaus denken, zal een sopraan halverwege het concert het beruchte Audivi vocem aanvatten – “Audivi vocem de caelo, dicéntem mihi” (Ik hoorde een stem uit de hemel die tot mij sprak). Dan pas sluiten de andere stemmen aan: “Zalig zijn de doden die in de Heer sterven.” Als u dat hoort, weet u dat dat ene korte stukje muziek de ziel van elke zanger op het podium in zich draagt. Lobo schreef niet alleen een uitzonderlijk mooi werk, maar ook een ongelooflijk emotioneel werk. Hij wist wat hij deed. Alleen de extra kracht die zijn compositie zou krijgen, kon hij niet vermoeden.
Gelukkig herontdekte Portugal zijn schatten. Ze klinken zoals het zonlicht er valt: nergens anders zo.
Julie Hendrickx