Home > Activiteiten > Polyphony connects > Vrijdag 21 augustus > Concert: Collegium Vocale Gent

Concert: Collegium Vocale Gent

Il bel viso

 

Het concert van Collegium Vocale Gent was live in AMUZ (zonder publiek) op vrijdag 21 augustus om 20 uur.

Wegens veiligheidsmaatregelen in het kader van COVID-19 werden bezetting en programma zoals eerder aangekondigd in de festivalgids gewijzigd. U vindt de meest recente info hieronder. 

Programma

 

Volgendo il ciel per l’immortal sentiero, SV154, uit madrigaalboek VIII – Claudio Monteverdi (1567-1643)
Ohime il bel viso, SV112, uit madrigaalboek VI – Claudio Monteverdi (1567-1643)
Pass’e Mezzo Antico di Sei Parti – Giovanni Picchi (1571-1643)
Altri canti di Marte e di sua schiera, SV155, uit madrigaalboek VIII – Claudio Monteverdi (1567-1643)
Sfogava con le stelle, SV78, uit madragaalboek IV – Claudio Monteverdi (1567-1643)
Amor che deggio far, SV144, uit madrigaalboek VII – Claudio Monteverdi (1567-1643)
Canzon VII Toni – Fr. Mat. Vendi (fl. 16de-17de eeuw)
Non havea Febo ancora: Lamento della ninfa, SV163, uit madrigaalboek VIII – Claudio Monteverdi (1567-1643)
Hor che’l ciel e la terra e’l vento tace, SV147, uit madrigaalboek VIII – Claudio Monteverdi (1567-1643)

Uitvoerders

 

Philippe Herreweghe, artistieke leiding
Dorothee Mields, sopraan
Barbora Kabátková, sopraan
James Hall, contratenor
Benedict Hymas, tenor
Tore Denys, tenor
Lisandro Abadie, bas
Anais Chen, viool
Eva Saladin, viool
Ageet Zweistra, cello
Bart Naessens, cembalo
Bor Zuljan, luit

Over het concert

 

Terwijl Sette Voci zich later in het festival toelegt op het derde madrigaalboek van Claudio Monteverdi (zie 29.08, p. 289 van het programmaboek), presenteert Collegium Vocale Gent een selectie madrigalen uit latere boeken. Artistiek leider Philippe Herreweghe koos enkele van de mooiste werken uit het vierde, zesde, zevende en achtste boek die op een uiterst expressieve manier de menselijke psyche blootleggen.

Nadat Monteverdi zijn derde madrigaalboek in 1592 publiceerde, bleef hij in Mantua het genre verder uitspitten. Het resultaat van die arbeid uit de jaren 1590 verscheen onder andere in het vierde madrigaalboek (1603), opgedragen aan het genootschap van de Accademia degli Intrepidi in Ferrara. In dat boek experimenteerde Monteverdi verder met de seconda pratica of stile moderno. De emotionele inhoud van de tekst werd nog meer dan vroeger de leidraad voor de componist. Tegelijk behield Monteverdi het overzicht op een evenwichtige muzikale structuur. De emotionele zeggingskracht van de muziek komt duidelijk tot leven in Sfogava con le stelle. Het madrigaal opent met een liggend akkoord waarop alle zangers dezelfde tekst declameren. Daarop volgen steeds weer verrassende passages met complex contrapunt of ongebruikelijke harmonieën en dissonanten, die de tekst van de liefdesklacht intensifiëren.

In 1613 werd Monteverdi aangesteld als kapelmeester van San Marco in Venetië. Hoewel San Marco een van de meest prestigieuze religieuze instellingen in Italië was, bleef Monteverdi ook madrigalen en opera’s componeren. Een jaar na zijn aanstelling publiceerde hij zijn zesde madrigaalboek. Het bevat enkele lamenti – zoals de vijfstemmige bewerking van het beroemde Lamento d’Arianna – en andere madrigalen uit de laatste jaren van zijn Mantua-periode. Ohimè il bel viso is gebaseerd op een tekst van Francesco Petrarca. Het liefdesverdriet komt al meteen tot uiting door de twee bovenstemmen die stelselmatig het woord “Ohimè” herhalen, als een weerkerend gezucht.

Vijf jaar na het zesde, publiceerde Monteverdi zijn zevende madrigaalboek. Opvallend is dat hij in de ondertitel zelf de term “Concerto” vermeldde. Hij verliet definitief het courante vijfstemmige a-capellamadrigaal en componeerde in het zevende boek madrigalen met concerterende instrumenten en met grote afwisselingen tussen monodische en meerstemmige passages. Amor che deggio far begint bijvoorbeeld met een instrumentale inleiding. Vervolgens wisselt Monteverdi solistische passages met duetten af en laat hij pas op het einde de vier zangers samen zingen.

Pas in 1638 verscheen Monteverdi’s achtste en laatste madrigaalboek op de markt. Het werd opgedragen aan Ferdinand III, wat blijkt uit Volgendo il ciel, waarin de keizer van het Heilige Roomse Rijk wordt geprezen. Het majestatische, krijgshaftige karakter van dit specifieke madrigaal komt ook terug in andere werken uit de bundel. Het achtste boek staat dan ook bekend als Madrigali guerrieri et amorosi (madrigalen over oorlog en liefde). De twee types zijn in de bundel apart gegroepeerd, maar de scheidingslijn is niet altijd eenvoudig te trekken. De ‘passionele oorlog’ is een algemeen overkoepelend thema. Hor che’l ciel e la terra e’l vento tace behoort net als Volgendo tot de oorlogsmadrigalen. Volledig in de lijn van Tasso’s openingszinnen begint het madrigaal bijzonder rustig, maar dan volgen meer nerveuze passages (op de woorden “guerra è ‘l mio stato”).
Altri canti di Marte e di sua schiera en Lamento della ninfa behoren dan weer tot de liefdesmadrigalen (al is in Altri canti het krijgshaftige karakter ook te horen). Het Lamento della ninfa is een van de eerste barokke passacaglia’s. De klaagzang van de nimf (“Amor, dove, dov’è la fè”) wordt gedragen door een steeds weerkerende baslijn. Een dergelijk ostinato zal in de barok een belangrijk kenmerk worden voor een klaagzang (denk bijvoorbeeld aan When I am laid in earth uit Purcells Dido and Aeneas).

Over het ensemble

 

Dit jaar is het precies vijftig jaar geleden dat een groep bevriende studenten op initiatief van Philippe Herreweghe besliste Collegium Vocale Gent te stichten. Het ensemble paste als een van de eersten de nieuwe inzichten inzake de uitvoering van barokmuziek toe op de vocale muziek. Deze authentieke, tekstgerichte en retorische aanpak zorgde voor een transparant klankidioom waardoor het ensemble in nauwelijks enkele jaren tijd wereldfaam verwierf en te gast was op alle belangrijke podia en muziekfestivals van Europa, Israël, de Verenigde Staten, Rusland, Zuid-Amerika, Japan, Hong-Kong en Australië.

Over Philippe Herreweghe

 

In 1970 richtte Philippe Herreweghe Collegium Vocale Gent op. Nikolaus Harnoncourt en Gustav Leonhardt merkten zijn uitzonderlijke benaderingswijze op en nodigden hem uit om mee te werken aan hun opnamen van de verzamelde Bachcantaten. Algauw werd Herreweghes levendige, authentieke en retorische aanpak van de barokmuziek alom geprezen. Later stichtte hij eveneens het barokensemble La Chapelle Royale en Orchestre des Champs Élysées. Sinds 1997 is hij als dirigent verbonden aan het Antwerp Symphony Orchestra. Bovendien is hij een veelgevraagd gastdirigent van orkesten zoals Concertgebouworkest Amsterdam, Gewandhausorchester Leipzig, Scottisch Chamber Orchestra of Tonhalle Orchester Zürich. Philippe Herreweghe werd meermaals gelauwerd voor zijn muzikale verdiensten, o.a. met een eredoctoraat aan de KU Leuven en de Franse benoeming tot Chevalier de la Légion d’Honneur.

Volgendo il ciel per l’immortal sentiero
a) Introduzione al ballo
Volgendo il ciel per l’immortal sentiero,
le ruote de la luce alma e serena,
un secolo di pace il Sol rimena
sotto il Re novo del Romano Impero.

Sù, mi si rechi ormai del grand’Ibero
profonda tazza, inghirlandata e piena
che, correndomi al cor di vena in vena,
sgombri dall’alma ogni mortal pensiero.

Venga la nobil cetra: il crin di fiori
cingimi, o Filli: io ferirò le stelle
cantando del mio Re gli eccelsi allori;

e voi che per beltà, Donne e Donzelle,
gite superbe d’immortali onori,
movete al mio bel suon le piante snelle.

sparso di rose il crin leggiadro e biondo;
e, lasciato dall’Istro il ricco fondo,
vengan l’umide Ninfe al ballo anch’elle.

b) Ballo
Movete al mio bel suon le piante snelle.
Sparso di rose il crin leggiadro e biondo;
e, lasciato dall’Istro il ricco fondo,
vengan l’umide Ninfe al ballo anch’elle.

Fuggan in si bel di nembi e procelle
d’aure odorate al mormorar giocondo;
fatt’Eco al mio cantar, rimbombi il mondo
l’opre di Ferdinando eccelse e belle.

Ei l’armi cinse, e su destrier alato
corse le piaggie, ei su la terra dura
la testa riposò sul braccio armato;

là torri eccelse e là superbe mura
al vento sparse, e fe’ vermiglio il prato,
lasciando ogn’altra gloria al mondo oscura.

Ohime il bel viso
Ohimè il bel viso, ohimè il soave sguardo,
ohimè il leggiadro portamento altero.
Ohimè il parlar ch’ogni aspro ingegno e fero
facevi humile, ed ogni huom vil gagliardo.

Et ohimè il dolce riso onde uscío ‘l dardo
di che morte, altro ben già mai non spero!
Alma real, dignissima d’impero,
se non fosse fra noi scesa sì tardo!

Per voi convien ch’io arda e ‘n voi respire,
ch’i’ pur fui vostro; e se di voi son privo,
via men d’ogni sventura altra mi dole.

Di speranza m’empieste e di desire
quand’io partí’ dal sommo piacer vivo;
ma ‘l vento ne portava le parole.

Altri canti di Marte e di sua schiera
Altri canti di Marte, e di sua schiera
gli arditi assalti, e l’honorate imprese,
le sanguigne vittorie, e le contese,
i trionfi di morte horrida, e fera.

Io canto, Amor, da questa tua guerriera
quant’hebbi a sostener mortali offese,
com’un guardo mi vinse, un crin mi prese:
historia miserabile, ma vera.

Due begli occhi fur l’armi, onde traffitta
giacque, e di sangue invece amaro pianto
sparse lunga stagion l’anima afflitta.

Tu, per lo cui valor la palma, e’l vanto
hebbe di me la mia nemica invitta,
se desti morte al cor, dà vita al canto.

Sfogava con le stelle
Sfogava con le stelle
un’infermo d’Amore
sotto notturno ciel il suo dolore,
e dicea fisso in loro:
“O imagini belle del’idol mio ch’adoro
si com’a me mostrate,
mentre cosi splendete,
la sua rara beltate
cosi mostrast’a lei
i vivi ardori miei
la fareste col vostr’aureo sembiante
pietosa si come me fat’amante.”

Amor che deggio far
Amor che deggio far
se non mi giova amar con pura fede?
Servir non vo’ così,
piangendo notte e dì per chi no’l crede!

E non si può veder
l’amoroso pensier da l’occhio umano?
Dunque un fido amator
dovrà nel suo dolor languir invano?

Intesi pur talor
che ne la fronte il cor si porta scritto;
or, come a me non val
scoprir l’interno mal nel volto afflitto?

Ingiustissimo Re,
perché la vera fé nota non fai?
Perché lasci perir
voci, sguardi e sospir, se’l vedi e’l sai?

Oh come saria pur
amor dolce e sicur se’l cor s’aprisse!
Non soffrirebbe già
donna senza pietà ch’altrui morisse.

E dunque sotto il ciel
non v’è d’alma fedel segno verace?
Ahi fato, ahi pena, ahi duol!
Or credami chi vuol, ch’io mi dò pace.

Non havea Febo ancora: Lamento della ninfa
Non havea Febo ancora
recato al mondo il dì
ch’una donzella fuora
del proprio albergo uscì.

Sul pallidetto volto
scorgease il suo dolor,
spesso gli venia sciolto
un gran sospir dal cor.

Sì calpestando fiori,
errava hor qua, hor là,
i suoi perduti amori
così piangendo va:

“Amor,” dicea, il ciel”
mirando il piè fermò
“dove, dov’è la fé
che ‘l traditor giurò?

Fa che ritorni il mio
amor com’ei pur fu,
o tu m’ancidi, ch’io
non mi tormenti più.”

Miserella, ah più no,
tanto gel soffrir non può.

“Non vo’ più ch’ei sospiri
se non lontan da me,
no, no che i martiri
più non darammi affè.

Perché di lui mi struggo,
tutt’orgoglioso sta,
che si, che si se ’l fuggo
ancor mi pregherà?

Se ciglio ha più sereno
colei che ’l mio non è,
già non rinchiude in seno
amor si bella fè.

Né mai sì dolci baci
da quella bocca avrai,
nè più soavi, ah taci,
taci, che troppo il sai.”

Sì tra sdegnosi pianti
spargea le voci al ciel;
così ne’ cori amanti
mesce Amor fiamma e gel.

Hor che’l ciel e la terra e’l vento tace
Or che ‘l ciel et la terra e ‘l vento tace
et le fere e gli augelli il sonno affrena,
Notte il carro stellato in giro mena
et nel suo letto il mar senz’onda giace,

veggio, penso, ardo, piango; et chi mi sface
sempre m’è inanzi per mia dolce pena:
guerra è ‘l mio stato, d’ira et di duol piena,
et sol di lei pensando ò qualche pace.

Cosí sol d’una chiara fonte viva
move ‘l dolce et l’amaro ond’io mi pasco;
una man sola mi risana et punge;

e perché ‘l mio martir non giunga a riva,
mille volte il dí moro et mille nasco,
tanto da la salute mia son lunge.

Volgendo il ciel per l’immortal sentiero
a) Inleiding op de dans
Terwijl de wielen van het gewijd’ en heldere licht
op hun onsterfelijk pad de hemel doorkruisen,
brengt weerom de Zon een eeuw van vrede
onder de nieuwe Vorst van het Romeinse Rijk.

Kom, dat men mij aanreikt uit het grote Iberische
land een diepe kelk, vol en met bloemslingers,
die stroomt van ader tot ader naar mijn hart,
mijn ziel bevrijdt van alle sterfelijke gedachten.

Laat de nobele lier aanrukken.
Omgord mijn hoofd, Phyllis, met bloemslingers,
Ik zal de sterren raken met mijn lofzang over Konings roem.

En U, vrouwen en jongedames, die voortschrijden
vol trots en met onsterfelijke roem beladen,
Beweeg op mijn mooie klank uw ranke voeten
het bevallige en blonde hoofd bestrooid met rozen,
en van de rijke bodem van Istrië komen
ook de vloeiende nimfen naar het bal.

b) Dans
Beweeg op mijn mooie klank uw ranke voeten
het bevallige en blonde hoofd bestrooid met rozen,
en van de rijke bodem van Istrië komen
ook de vloeiende nimfen naar het bal.

In zo’n mooie dag vluchten de wolken en stormen,
spelend bij het murmelen van geurige briesjes.
Als echo van mijn zingen, laat de wereld de hoge
en schone werken van Ferdinando weerklinken.

Hij gordt de wapens aan, en op gevleugeld paard
rent hij over de velden, op de harde grond
rust hij zijn hoofd op bewapende arm;

Dáar hoge torens, en dáar verheven muren
verstrooit hij in de wind, maakt het veld bloedrood,
laat alle andere roem aan de duistere wereld.

Ohime il bel viso
Ach mooi gelaat waarin de ogen straalden,
ach tred en houding, sierlijk en vol kracht!
Ach stem die harde harten heeft verzacht
en ‘t beste in de mens naar boven haalde!

Ach lieve glimlach die mijn lot bepaalde
en mij een dodelijke wond toebracht!
Verheven ziel, bestemd tot grote macht
als u in beter tijden naar ons daalde!

U bent de vlam die mij heeft aangedreven,
u bent de adem die mij leven doet.
Nooit zal ik dit verlies te boven komen.

De laatste maal dat ik u zag, bij leven,
hebt u mijn hoop met tederheid gevoed.
De wind heeft onze woorden meegenomen.

Altri canti di Marte e di sua schiera
Anderen bezingen Mars, de drieste acties
van zijn compagnie, zijn eervolle daden
en met bloed doordrenkte triomfen, de conflicten
waar de wrede en afschuwelijk dood triomfeert.

Ik van mijn kant, Amor, zing over de dodelijke wond
die jouw strijdster mij toebracht,
hoe één blik mij bedwong, één haarlok mij klem zette:
smartelijk verhaal is het, maar waar.

Twee mooie ogen waren de wapens die
mijn getroffen ziel het onderspit deden delven,
en voor lange tijd bittere tranen deed plengen.

Jij, Amor, door wiens kracht mijn onoverwonnen
tegenspeelster zegepraal en roem over mij behaalde,
als je dan al mijn hart doorboorde, zorg dan dat de zang overleve.

Sfogava con le stelle
Een minnaar, ziek van liefde,
sprak tot de sterren in
de avondhemel van zijn hartepijn.
Hij zei, zijn blik geheven:
“O evenbeelden van mijn lieveling,
terwijl jullie daar stralen,
doet jullie glans mij denken
aan haar zeldzame schoonheid.
Toon haar op deze wijze
hoe ik van liefde gloei!
Vervul haar, als ze jullie stralen ziet,
van zachtheid jegens mij die haar bemint!”

Amor che deggio far
Amor, wat moet ik doen?
Als mij niet baat te minnen met pure trouw?
Zo wil ik niet dienen,
nacht en dag wenend voor wie ‘t niet gelooft!

En kan men niet zien
de beminnende gedachte vanuit het mensenoog?
Dus moet een trouwe liefhebbende
vergeefs kwijnen in de smart?

Toch begreep ik soms
dat het hart op het gezicht geschreven staat;
welnu, hoe kan ‘t dat het mij niet dient
innerlijk leed op ‘t aangedane gelaat te onthullen?

Hoogst onrechtvaardige Koning,
waarom maak je de echte trouw niet bekend?
Waarom laat je tenondergaan
woorden, blikken en zuchten, als je ze ziet en kent?

Hoe zou de liefde toch
zoet en zeker zijn als het hart zich opende!
Een vrouw zou niet zonder mededogen
dulden dat een ander stierf.

En er is dus onder de hemel
geen waarachtig teken van een trouwe ziel?
Ah lot, ah smart, ah treurnis!
Ach, geloof me wie ’t wil, dan heb ik vrede.

Non havea Febo ancora: Lamento della ninfa
Phoebus had de dageraad
nog niet bezorgd
of een jonge meid
kwam uit haar huisje te voorschijn.

Je kon zo het verdriet
op haar bleke gezichtje lezen
en meermaals ontsnapte
een lange zucht uit haar hart.

Zij dwaalde her en der rond,
vertrapte bloemen
en bezong als volgt
haar verloren liefdes:

“Amor,” zo zei ze, de blik naar de hemel gericht,
met ferme voet,
“hoe zit dat met die trouw
die de ontrouwe mij zwoer?

Maak dat mijn lief terugkomt
zoals voorheen,
of dood mij, zodat ik
niet meer hoef te lijden.

Arme ziel, niet nóg meer van dat,
zoveel kilte kan zij niet aan.

Ik wil hem niet meer begeren,
als hij bij me is,
Nee, nee, hij laat me niet
meer lijden, op mijn woord!

Omdat ik naar hem smacht
is hij zo arrogant,
misschien als ik van hem wegvlucht
zal hij me nog komen smeken?

Als haar ogen mooier zijn
dan de mijne,
heeft de liefde niet zulke trouw
in haar hart gesloten.

Nooit zal hij zulke zoete kussen
van haar lippen krijgen,
en zo teder; ach, zwijg,
zwijg, je hebt al teveel gezegd.

Met misprijzen en weeklacht
riep zij de hemel aan;
zo is het dat Amor in d’amoureuze harten
gloed én kilte met elkaar vermengt.

Hor che’l ciel e la terra e’l vento tace
Nu hemel, aarde en de elementen zwijgen,
en slaap de dieren en de vogels tot rust brengt,
de nacht de sterrenwagen op pad zet,
en de zee, zonder golfslag, in zijn stede rust,

kijk ík voortdurend rond, sla aan het broeden, vol hartstocht en geween;
en wie mij ten onder voert zie ik steeds vóór mij, als een zoete pijn:
een worsteling, dat is mijn conditie, vol met gram en smart,
en alleen aan haar denken brengt mij enige rust.

Het is dezelfde bron, vol leven,
die én lieflijkheid én wrangschap brengt, en daaraan
voed ik mij; éénzelfde hand geneest me, maar kwetst me ook;

en opdat mijn lijden niet zou ophouden,
ga ik duizend maal daags dood en word ik evenveel
maal geboren, zó ver af ben ik van mijn welgevoelen.

vertalingen: Ike Cialona, Walter Geerts, Evianne de Kup

Bekijk hier ook:

Klara Live @ Laus Polyphoniae

21 augustus 2020 18:00 tot 20:00