Home > Nieuws > Interview met Dominique Visse

Interview met Dominique Visse

Wie al eens een Franse of Italiaanse barokke opera beluisterde, heeft misschien de stem van Dominique Visse al gehoord. Met die opvallende stem heeft hij al tientallen rollen geïnterpreteerd op internationale podia. En wie hem aan het werk heeft gezien, weet dat hij als geen ander travestierollen interpreteert. Al jaren treedt hij ook op met zijn Ensemble Clément Janequin met religieuze en profane renaissancemuziek. De zangers van het ensemble namen tientallen cd’s op die vele malen werden bekroond.

AMUZ: Wat betekent polyfonie voor u?

Polyfonie zit in mijn genen, in mijn DNA. Al van toen ik kind was, werd ik in de polyfonie ondergedompeld. Ik ben begonnen als organist, en als je de eredienst begeleidt, moet je manieren vinden om polyfonie te creëren rond het gregoriaans. Daarnaast heb ik ook in meerdere koren gezongen. Als elfjarige ging ik op internaat in Normandië en had ik het geluk dat ik lid kon worden van het schoolkoor. Onze leerkracht Duits was gepassioneerd met muziek bezig en had een jongenskoor opgericht. Dat waren de eerste stappen in de polyfonie voor mij. Later heb ik bijvoorbeeld meegezongen met het koor van de Notre-Dame in Parijs. Al die vocale ervaringen, en die op het orgel, hebben mijn kennis van de polyfonie gevormd. Mijn orgelleerkracht heeft me veel hedendaagse muziek bijgebracht – ze behoorde tot de Messiaen-school – maar ze was ook gepassioneerd door oude muziek. Heel belangrijk is dat ze me oude muziek liet analyseren. Ik moest zelfs muziek in oude stijl componeren.

AMUZ: Dat is de perfecte leerschool om die muziek volledig te beheersen.

Inderdaad en die muziek blijft me fascineren. Ik voer heel veel operamuziek uit, maar ik verkies de polyfonie, het samen a cappella zingen. Ik heb het geluk gehad om die muziek van jongs af aan te kunnen ontcijferen. Dat bood me een dubbel plezier wanneer ik dat repertoire uitvoerde: enerzijds je eigen lijn te kunnen zingen, anderzijds ook het geheel en de constructie daarvan te kunnen begrijpen.

AMUZ: Heeft u daarom ook in 1978 Ensemble Clément Janequin opgericht? Om de muziek beter te kunnen doorgronden?

Dat is exact de reden. Toen ik als kind in Normandië met een honderdkoppig koor meezong, voerden we eens een werk uit van Clément Janequin, Voulez ouyr les cris de Paris. Ik voelde dat er iets niet klopte (n.v.d.r. het vierstemmige werk is gebaseerd op tientallen kreten van Parijse marktkramers). Het grote koor had ook een kleiner ensemble en we vonden dat die muziek van Janequin beter klonk als we ze uitvoerden met zestien zangers, dat de polyfonie natuurlijker aanvoelde. Ik was al geïnteresseerd in de notatie van historische muziek, maar om die muziek nog beter te begrijpen, heb ik Ensemble Clément Janequin opgericht, met drie vrienden die ook in het koor zongen. Puur voor het plezier om die muziek samen uit te voeren, als gepassioneerde dilettanten. We hadden geen toekomstplan opgesteld. We luisterden naar opnamen van andere ensembles, maar die beantwoordden niet altijd onze vragen. We hadden weinig musicologische bagage in die tijd. Maar al snel zijn de zaken veranderd.

AMUZ: In welke zin?

We moesten al heel snel alles overboord gooien wat we in het grote koor hadden geleerd. We hebben een eigen klank ontwikkeld op basis van onze eigen vier stemmen, met elk hun specificiteit. We dachten niet aan het binnenhalen van concertopdrachten, maar wilden vooral het repertoire op onze eigen manier uitvoeren. En dat heeft zijn vruchten afgeworpen.

AMUZ: Daarnet sprak u over het ‘natuurlijk aanvoelen van polyfonie’, terwijl de muziek van de 16de eeuw soms heel cerebraal is en een complexe structuur heeft. U verenigt dat?

De uitdaging bij de Franco-Vlaamse polyfonie is dat de lijnen heel nauw met elkaar vervlochten zijn. De muzikale lijnen zijn versierd, de tekst is niet zo belangrijk. Pas vanaf de 16de eeuw besteedt men meer aandacht aan de tekst. Je moet dus weten welke lijn er op de voorgrond treedt. Automatisch groeide er in het ensemble een respect voor de diversiteit in de klank en voor ieders manier van zingen. Dat was toch een claim van het ensemble ten opzichte van wat destijds gangbaar was. We eisten onze eigen zangmethode op. In Engeland zijn de ensembles meer opgebouwd om een gemeenschappelijke klank te bereiken, opgegeven door één persoon. Andere zangers moeten zich daaraan dan weten aan te passen – en dat doen ze ook met brio! Ze moeten de fraseringen, de tekstplaatsing, de intonatie, de nuances enz. van elkaar imiteren. Maar dat is voor ons te beperkend. Want als je ook profane muziek uitvoert, wat vaak muziek met een eigen karakter is, word je geconfronteerd met het feit dat die muziek destijds puur voor het plezier van de uitvoering is geschreven, en niet voor een uitvoering voor een publiek. Die muziek is bijzonder complex qua schriftuur, want ze is geschreven door en voor de componisten zelf. Destijds waren de componisten ook de zangers en instrumentalisten. Hoe kan je dat dan overbrengen naar het publiek van vandaag, dat niet deelneemt aan de uitvoering? We hebben beslist om die muziek in zekere zin te theatraliseren. Net zoals in de commedia dell’arte heeft iedereen een eigen gedefinieerd personage en functioneert alles goed samen. Dat recept, dat we gebruiken voor profane muziek, werkt ook voor de religieuze muziek. Elke muzikale lijn is hoorbaar en bevattelijk doordat iedereen zijn eigen timbre en frasering behoudt. Zelfs voor de religieuze muziek zijn we nooit echt geobsedeerd geweest door een rigoureuze tekstplaatsing. Ik heb ook veel gewerkt met muzikanten uit de jazz en rock, en heb gemerkt dat er bij hen vaak een kleine verschuiving is in de tekstplaatsing, wat de muziek heel levendig maakt.

AMUZ: Hoe vindt u de muziek die u wil uitvoeren?

Door heel veel zaken zelf te transcriberen! Toen ik in Parijs musicologie studeerde, ontdekte ik veel bronnen. Ik had helemaal geen geld, en goede fotokopieerapparaten waren er amper, dus we kopieerden alles zelf met pen en papier. Ik vond dat al snel plezierig, want er was ten eerste een grafisch aspect aan verbonden, en ten tweede liet het me toe de muziek beter te begrijpen. Al snel ben ik kopiist geworden voor enkele uitgevers, en voor Les Arts Florissants werd ik zelfs de officiële (n.v.d.r. ensemble gespecialiseerd in de Franse barok, o.l.v. William Christie). Wanneer je met Chinese inkt schrijft, mag je geen fouten maken en moet je de oorspronkelijke compositie ook goed begrijpen. Heel vaak staan er fouten in de originelen, die moet je eruit halen. Ik heb bijvoorbeeld heel veel muziek van Charpentier gekopieerd en er stonden heel veel fouten in de originele partituren. Men schreef destijds alles met de hand en onder tijdsdruk, dus fouten waren snel gemaakt. Ook in de mooiste manuscripten van de renaissance staan heel veel fouten. Dus, wanneer je kopieert, analyseer je tegelijkertijd. In het begin was er een tenor lid van het ensemble die niet kon zingen op een toonhoogte van 415 Hz, waardoor ik alles moest transponeren. Maar zo kreeg je ook onredelijke toonaarden, en moest ik la Bataille de Marignan van Janequin naar een toonaard transponeren die destijds ongebruikelijk was.
Ik heb jarenlang met de hand getranscribeerd, maar toen de eerste computers op de markt kwamen, heb ik me snel in de materie verdiept. Macintosh had als eerste een programma ontwikkeld om muziek te schrijven. Ondertussen is mijn persoonlijke bibliotheek goed uitgebreid.

AMUZ: Kunnen andere muzikanten uw bibliotheek consulteren? Partituren van Mozart zijn gemakkelijk te vinden, maar voor renaissancemuziek is de situatie anders.

Ik werd inderdaad al snel benaderd door nationale onderzoekscentra om mee te werken aan hun projecten. Ik woon niet ver van Tours, waar een centrum is voor de studie van de renaissance. Ze zijn bijzonder geïnteresseerd in mijn bibliotheek, want in meer dan 35 jaar heb ik toch zo’n 40 000 pagina’s bij elkaar geschreven. Eerst transcribeerde ik enkel voor een concertproject, maar de laatste twintig jaar doe ik het toch volgens een meer systematische, musicologische methode. In 2010 hebben we voor Laus Polyphoniae muziek uitgevoerd uit het Chansonnier van Zeghere van Male. Ik vond het zo spannend, dat ik het volledige manuscript heb getranscribeerd.
Ik heb al veel documenten aan het conservatorium van Lyon gedoneerd. Het probleem is dat de computerprogramma’s veranderen. Ik moet alles naar pdf omzetten en daar kruipt toch tijd in. Ik moet alles ook nog eens op fouten controleren. Mijn droom is om alles online te zetten, samen met het instituut in Tours, want er is heel veel vraag naar.

AMUZ: Naast uw vele concerten en het transcriberen vindt u ook nog tijd om les te geven. Er was bijvoorbeeld een project met Palestijnse kinderen?

Een Italiaanse violist en zijn Franse vrouw hebben in Palestina een kinderkoor opgericht. Ze zijn eenvoudigweg naar daar getrokken om via de muziek mensen te helpen. Ondertussen werken ze nu al enkele jaren aan het Amwaj-choir. Ze zingen daar in heel complexe situaties en in bezette gebieden. Ze hebben al in Frankrijk getoerd en hebben een concert gegeven met het Choeur de Radio France. Af en toe nodigen ze iemand uit om over een bepaald repertoire te komen praten. Ik ben met plezier ingegaan op hun vraag om over renaissancemuziek les te geven. Het was een uiterst boeiende ervaring. Het is een gemengd koor, wat op zich al uitzonderlijk is in Palestina, maar adolescente jongens zijn geen lid. Ik moest dus repertoire vinden voor gelijke, hoge stemmen. Sommige teksten moest ik ook herschrijven, want bepaalde woorden mag je helaas niet gebruiken. Een woord als ‘kus’ mag niet in een lied voorkomen waarin ook over een vrouw wordt gesproken. Het was bijzonder dankbaar om repertoire van een andere tijd, een ander land en een andere cultuur aan te reiken, en om erin te slagen dat te laten zingen door Palestijnse kinderen. Sommige teksten werden ook vertaald naar het Arabisch. Zo hebben we een chanson van Claudin de Sermisy in het Arabisch gezongen, wat best grappig klonk. Ik heb ook gezien in welke moeilijke situatie men daar leeft, wat mijn geest heeft geopend op menselijk en muzikaal vlak.
Daarnaast geef ik nog masterclasses. Normaal gezien had ik een cursus over renaissancemuziek gegeven tijdens het festival van Lanvellec in Bretagne. Ik vind het leuk om zaken door te geven, maar doe dat liever niet via de klassieke structuren.