Home > Nieuws > Interview met Marnix De Cat

Interview met Marnix De Cat

Sinds 1995 ontving Laus Polyphoniae contratenor, componist en artistiek leider Marnix De Cat al meerdere malen. Tijdens Polyphony connects hoort u hem aan het werk met zijn eigen Pluto-ensemble en met Gesualdo Consort AmsterdamMarnix De Cat is ook de componist van onze festivaltune. Met Rosa maakte hij een meerstemmig arrangement van Gorki’s beroemde Mia.

 

AMUZ: Hoe gaat u te werk bij de bewerking van een popsong? Beeldt u zich in hoe iemand als Josquin des Prez het lied zou hebben bewerkt?

Marnix De Cat: Ik herinner me nog dat Luc De Vos de vraag stelde om van zijn Mia een bewerking te maken in ‘gregoriaanse stijl’ – hij bedoelde daarmee in historische stijl. We waren toen op tournee in Spanje met Capilla Flamenca. Frank Claes had al een Latijnse vertaling gemaakt van de tekst en Luc wou daar een mooie historisch klinkende versie van. Lieven Termont, bariton in het ensemble, heeft de melodie van het lied dan uitgeschreven met daarbij de Nederlandse tekst, daarna hebben we gekeken hoe we de Latijnse tekst op de melodie konden plakken. De puzzelstukjes vielen op hun plaats, want de vertaling was goed gemaakt. Mijn bekommernis als arrangeur was echter dat de melodie niet herkenbaar zou zijn voor de doorsneeluisteraar. Ik had al geëxperimenteerd met fragmentjes van de melodie of een fugatische structuur, maar dan was het uiteindelijke arrangement niet meer herkenbaar als Mia. Ik heb de melodie ook eens vertraagd, als een cantus firmus (n.v.d.r. letterlijk ‘vast gezang’, een melodie als basis voor een polyfoon werk), in de tenorpartij gelegd, zoals men in de tijd van de Vlaamse polyfonisten deed, maar ook dan werd ze onherkenbaar.

Uiteindelijk was het beter om de melodie gewoon in de bovenstem te plaatsen. Pas bij de opname hebben we dan beslist om het beginvers tweestemmig te zingen, met tenor en bariton, en het tweede vers vierstemmig, zodat er toch een afwisseling is, zoals bij een strofe en een refrein. Qua stijl heb ik me gebaseerd op die van de 16de-eeuwse polyfonie, een beetje als die van Orlandus Lassus, maar er zitten ook samenklanken bij die niet passen in de zuivere historische polyfonie. Sommige akkoorden komen dan weer van het originele lied. In de rockmuziek liggen drie akkoorden aan de basis, de eerste, vierde en vijfde graad. Bij polyfonie ga je op zoek naar interessante stemvoeringen. Daarbij primeert de tekst en ben ik als Lassus te werk gegaan. De tekst bepaalt dan welke harmonie of welke kleur de muziek op een bepaald moment krijgt. Bij “somniare” op het einde krijg je ook een dromerige wending. Ik heb geprobeerd om een klassieke polyfone schriftuur te behouden, met hier en daar een knipoog naar een modernere harmonisatie.

 

AMUZ: Op bepaalde momenten wordt gebruikgemaakt van de ‘hoquetus’, een oude compositietechniek die hik-achtige sprongen als effect heeft.

Marnix De Cat: Dat heeft te maken met het ritme in het originele lied, dat veel syncopes bevat. Wanneer ik alle stemmen homofoon toonzette, op basis van de hoofdmelodie, dan werd het te jazzy en gingen de vaste, sterke tijden verloren. Ik heb dan wat moeten sleutelen, en de onderliggende stemmen op de sterke tijden gepind. Dat maakte het voor mij als componist ook wel leuk, dat ik werd gedwongen om die zweverige, hedendaagse melodie in een contrapuntisch stramien te gieten.

 

AMUZ: Hoe leer je die regels van het contrapunt kennen? Door de muziek uit te voeren? Of door traktaten te lezen? 

Marnix De Cat: Polyfonie is een rode draad in mijn carrière. Ik ben opgeleid als organist en heb aan het Lemmensinstituut in Leuven ook een eerste prijs contrapunt behaald. Maar door polyfonie uit heel veel verschillende periodes uit te voeren, krijg je een beeld van de evolutie van de polyfonie en de contrapuntregels. De regels van de pythagoreïsche getallensymboliek en getallenleer zijn daarbij belangrijk. Ze hebben te maken met ons zijn, ons wezen en het ‘Alles’, en worden onder andere in de geschriften van Boëthius als klinkende regels naar de muziek vertaald. Dat heeft me de afgelopen dertig jaar al op filosofisch en muzikaal vlak beziggehouden, want het boeiende is dat die zaken elkaar raken. Er zijn inderdaad verschillende soorten polyfonie en contrapunt, maar de regels zijn niet veranderd. Ze zijn enkel door de tijd heen versoepeld of gewijzigd naargelang van de smaak. Wat lang geleden als basisregel van het contrapunt gold, geldt ook vandaag nog. Wat dissonant is, moet consonant oplossen.

 

AMUZ: Welke componisten beheersen dat contrapunt goed? 

Marnix De Cat: Dan denk ik aan de grote namen, zoals Josquin des Prez of Orlandus Lassus. De vraag is: hadden ze het contrapunt goed bestudeerd of droegen ze het talent in zich? Ook in hedendaagse muziek vinden we nog contrapunt, zelfs in minimal music. Arvo Pärt zoekt als componist de eenvoud op; soms ligt die eenvoud dichter bij de harmonie, soms dichter bij het contrapunt.
Onze oren zijn anders dan die van de mensen vroeger. De opleiding van polyfonisten en de context waren vroeger heel anders. Ze waren getraind om polyfoon te denken. Zij konden ter plekke improviseren op gregoriaanse melodieën.

 

AMUZ: Hoe kan je luisteren naar polyfonie? 

Marnix De Cat: Er zijn verschillende invalshoeken. Je kan je oren spitsen en je concentreren op de bovenstem, dat is wat we doen als we naar een popsong luisteren. Dat is de eerste beluistering. Je luistert daarbij naar de melodie, en daaronder heb je een begeleiding. Maar bij polyfonie kan die melodie in de verschillende stemmen zitten, ze verspringt van de ene stem naar de andere of wordt langzaam als cantus firmus gezongen. Je kan aan de luisteraar uitleggen hoe een bepaalde compositie in elkaar zit. Je kan aantonen hoe bepaalde stemmen verlopen en wijzen op zaken die je bij een eerste beluistering niet hoort, omdat alle stemmen tegelijk klinken. Iedereen luistert anders. Maar moet je weten hoe iets in elkaar zit om ervan te kunnen genieten? Voor de ene mens is dat belangrijk, voor de andere niet, die wil gewoon luisteren naar het fantastische klankenbad. Het blijft een mysterie waarom muziek ons raakt. Is dat omdat ze ingewikkeld is? Soms zijn de meest eenvoudige polyfone stukken net de meest meeslepende.

Als uitvoerder moet je je kunnen inleven in de noten die op papier staan. Anderen hebben die noten neergepend en de uitvoerder moet die tot leven brengen. Muziek uitvoeren is horen, voelen en zingen tegelijkertijd. Je moet je opstellen als een klein deeltje in het geheel. Het is ook een filosofisch gegeven: je moet je als individu volledig geven, maar tegelijkertijd ben je maar een schakel die in het geheel tot volheid komt.